Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.aklaagt dat het hof een onjuiste, want te ver strekkende, maatstaf heeft aangelegd. Het middelonderdeel verwijst naar de maatstaf van de ‘redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot’ en erkent dat deze norm onder omstandigheden een verplichting van de advocaat omvat om zijn cliënt te waarschuwen voor een bepaald risico, dan wel een verplichting om (nader) onderzoek te doen naar een mogelijk risico en vervolgens de cliënt te waarschuwen. Deze waarschuwings- en onderzoeksplicht gaat volgens de klacht niet zo ver, dat de advocaat zijn cliënt dient te waarschuwen of een (mogelijk) risico dient te onderzoeken
"zonder expliciete daartoe strekkende opdracht"(vgl. rov. 3.5.1), althans buiten de hem gegeven opdracht. Volgens de toelichting op deze klacht was de opdracht aan [betrokkene 2] beperkt, hetgeen blijkt uit de vaststelling door het hof dat
[verweerder 1] en [betrokkene 1] [...] geen advies [hebben] gevraagd met betrekking tot de eventuele herontwikkeling en vervolgbestemming van het terrein(rov. 2.1.6) en dat
' [verweerder 1] [betrokkene 2] niet heeft gevraagd om hem over de (consequenties van die) eventueel nog aanwezige verontreiniging te adviseren"(vgl. rov. 3.5).
alleeventueel mogelijke toekomstige bestemmingen van het door hen te verwerven terrein heeft het hof van belang geacht en van belang mogen achten het gegeven dat in dit terrein nog ernstige bodemverontreiniging was achtergebleven. Dit voert mij tot de gevolgtrekking dat de rechtsklacht onder 1.a faalt.
"in ogenschouw [neemt] dat [verweerder 1] [betrokkene 2] geen andere opdracht heeft gegeven dan de opdracht die onder r.o. 2.1.6 is verwoord [...] en dat [verweerder 1] [betrokkene 2] niet heeft gevraagd om hem over de (consequenties van die) eventueel nog aanwezige restverontreiniging te adviseren"(vgl. rov. 3.5).
"ten tijde van de verkoop van het terrein" betreft (vgl. rov. 3.4) en (ii) dat het hof
"geen aanvullende waarde [heeft] toegekend aan de inhoud van de e-mail van [betrokkene 3] van 18 juni 2002"(vgl. rov. 3.6) en (iii) de erkenning van [verweerder 1] dat
"het (terecht) nooit bij [verweerder 1] en [betrokkene 1] [is] opgekomen om [betrokkene 2] expliciet te verzoeken hen nader te adviseren over de meer exacte aard en mate van de resterende bodemverontreiniging”.
feitelijkeaard.
Onderdeel 2.aklaagt dat het hof heeft miskend dat van de advocaat niet kan worden gevergd dat hij waarschuwt voor een feitelijk (niet juridisch) risico, zoals in het onderhavige geval: de
"resterende restrisico's"(vgl. rov. 3.5.1) van
"ernstige verontreiniging van aanmerkelijke omvang"en dat
"de grond beduidend minder waard was dan de prijs die [verweerder 1] bereid was te betalen"(vgl. rov 3.5.2). Volgens het middelonderdeel gaat het hier om risico’s waarvan de advocaat zich niet bewust was, noch zich daarvan bewust kon zijn (althans niet méér dan de cliënt zelf).
feitelijkekarakter van die informatie tot een andere beslissing te komen dan het hof heeft gegeven. Onderdeel 2.a leidt niet tot cassatie.
onderdeel 2.bdat het hof een onjuiste, want te ver strekkende, maatstaf heeft gehanteerd ten aanzien van de waarschuwings- en onderzoeksplicht: het hof baseert zijn oordeel op de kenbaarheid voor [betrokkene 2] van (de omvang van) dit risico uit het Oranjewoud-rapport, hoewel in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat [betrokkene 2]
nietbekend was met dat rapport (vgl. rov. 3.5.1). Volgens het middelonderdeel is rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, het oordeel dat de waarschuwings- of onderzoeksplicht reeds ontstaat doordat [betrokkene 2]
"mocht aannemen dat [het Oranjewoud-rapport] bestond."Hetgeen het hof heeft overwogen omtrent de inhoud van het Oranjewoud-rapport maakt dit niet anders, nu de inhoud van dat rapport ten tijde van de advisering onbekend was voor [betrokkene 2] . [verweerder 1] c.s. hadden slechts gesteld dat [betrokkene 2] over het rapport beschikte of dit had kunnen opvragen. Zij hebben niet gesteld dat [betrokkene 2] ‘mocht aannemen dat het Oranjewoud-rapport bestond’, zodat het hof in zoverre in strijd met artikel 149 Rv Pro de feiten heeft aangevuld.
Onderdeel 2.eklaagt dat de in dit onderdeel aangehaalde passages in rov. 3.5 en 3.5.6 niet afdoen aan het voorgaande: de omstandigheid dat de aankoop van dit terrein het eerste onroerend goed-ontwikkelingsproject van [verweerder 1] zou zijn geweest maakt nog niet dat [verweerder 1] niet in staat is geweest zich te vergewissen van het risico in kwestie, in het licht van de stelling dat [verweerder 1] c.s. wel degelijk "
ervaring als (onroerend goed) handelaren"hadden.
“ [betrokkene 2] in zijn onder 2.1.9 geciteerde brief erop heeft geattendeerd dat het terrein door hem zou worden gekocht "inclusief alle eventuele restverontreiniging"(vgl. rov. 3.5) en dat [betrokkene 2] [verweerder 1]
"bij brief van 7 augustus 2001 [heeft] medegedeeld dat de staat geen garantie zou geven over de huidige staat van dit perceel"(vgl. rov. 3.5.2). In aanvulling hierop wijst het middel op correspondentie waarnaar Boekel in appel had verwezen en die ten dele is geciteerd in rov. 2.1.10 (rubriek 1.1.9 hiervoor): daaruit blijkt volgens Boekel onmiskenbaar dat [betrokkene 2] [verweerder 1] heeft op dit risico gewezen. De daarop volgende overwegingen, in het bijzonder de overweging in rov. 3.5.2 dat [betrokkene 2]
"bagatelliserende mededelingen"heeft gedaan en dat het op zijn weg [had] gelegen om
“in aanmerkelijk krachtiger bewoordingen te waarschuwen",geven volgens het middelonderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de mate van indringendheid waarmee mr [betrokkene 2] zijn cliënt had behoren te waarschuwen. In de gegeven omstandigheden, waaronder het feit dat [betrokkene 2] geen kennis had van het Oranjewoud-rapport (zie subonderdeel 2.b), kon van hem niet worden gevergd dat hij op een indringender wijze waarschuwde voor (de omvang van) resterende bodemverontreiniging dan hij heeft gedaan. De toelichting wijst op de duidelijke mededelingen van [betrokkene 2] dat [verweerder 1] het terrein zou aankopen
"inclusief alle eventuele restverontreiniging"en dat de landsadvocaat
"expliciet [liet] weten dat er waarschijnlijk nog wel verontreiniging zou bestaan".
"temeer nu [verweerder 1] bij herhaling had laten weten niet bereid te zijn op dat vlak enig financieel risico te willen lopen"(rov. 3.5.2) en
van overheidswege opgelegde saneringgeen ‘open einde’ of ‘tijdbom’ wenste. Volgens Boekel is onbegrijpelijk dat het hof dit als redengevend heeft beschouwd voor het oordeel dat [betrokkene 2] [verweerder 1] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor andere risico’s. Het middelonderdeel noemt dit oordeel temeer onbegrijpelijk in het licht van Boekels stelling dat [verweerder 1] "erop
uit was het terrein "voor een prikje" in eigendom te verkrijgen en bereid was met verontreiniging gepaard gaande risico's te dragen. "(vgl. rov. 3.5.3). Het hof heeft volgens het middelonderdeel de juistheid van die stelling in het midden gelaten.
onderdeel 3.cklaagt dat het hof met de in onderdeel 3.b bedoelde overwegingen de grenzen van de rechtsstrijd in appel heeft miskend, nu [verweerder 1] niet had gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat [betrokkene 2] erop
"[mocht] vertrouwen dat het voor [verweerder 1] en [betrokkene 1] op dat moment enkel van belang was dat de overheid geen claims uit ongerechtvaardigde verrijking jegens hen zou instellen nadat zij de eigendom van het terrein hadden verkregen". Subsidiair is een motiveringsklacht voorgedragen.