Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een woonplaats, vastgesteld op €319.000 per waardepeildatum 1 januari 2021 voor het kalenderjaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 10 oktober 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank heeft een nader stuk van de heffingsambtenaar, ingediend elf dagen voor de zitting, buiten beschouwing gelaten wegens schending van de goede procesorde. De heffingsambtenaar kon niet tijdig stukken overleggen en het late stuk benadeelde eiser in zijn procespositie. Tevens werd een nieuw standpunt van de heffingsambtenaar op de zitting als te laat en niet-ontvankelijk beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast niet heeft voldaan om de WOZ-waarde te handhaven. Eiser heeft zijn lagere waarde van €277.000 niet aannemelijk gemaakt, maar de rechtbank stelt de waarde schattenderwijs vast op €300.000. De aanslag onroerendezaakbelasting wordt overeenkomstig aangepast. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.557,26 en het betaalde griffierecht van €50.