De zaak betreft een verzoek van eiser 2 om medehuurder te worden van de woning die zijn moeder, eiser 1, huurt van Woonbedrijf. Eiser 2 woont sinds februari 2019 bij zijn moeder, die lijdt aan Alzheimer, met het doel haar te verzorgen. Woonbedrijf heeft het verzoek afgewezen omdat zij meent dat niet aan de voorwaarden van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en financiële waarborg wordt voldaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser 2 en zijn moeder beiden hun hoofdverblijf in de woning hebben en dat eiser 2 sinds februari 2019 bij zijn moeder woont. Uit verklaringen blijkt dat zij gezamenlijk huishouden voeren, kosten delen en dat eiser 2 mantelzorg verleent. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, ondanks dat het een ouder-kind relatie betreft.
Verder is vastgesteld dat eiser 2 een inkomen heeft dat voldoende is om aan de huurverplichtingen te voldoen. Woonbedrijf kon haar stellingen onvoldoende onderbouwen. De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt Woonbedrijf in de proceskosten.