Partijen zijn gehuwd en hebben samen het gezag over hun minderjarige kind. De man vertrok eind november 2022 met het kind naar het buitenland en keerde niet terug, zonder toestemming van de vrouw of rechter.
De rechtbank beoordeelde de rechtsmacht op grond van Brussel II-ter en oordeelde dat de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van het verzoek in Nederland was, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is. De ongeoorloofde overbrenging kwalificeert als zodanig onder de verordening.
De vrouw verzocht om toewijzing van voorlopige voorzieningen, waaronder toevertrouwing van het kind, exclusief gebruik van de echtelijke woning en afgifte van een certificaat. De rechtbank achtte het in het belang van het kind om aan de vrouw toe te wijzen, gezien de schadelijke gevolgen van het handelen van de man en het ontbreken van onderbouwing van zijn zorgen.
Het verzoek tot afgifte van het kind met sterke arm werd afgewezen wegens gebrek aan belang, terwijl het verzoek tot exclusief gebruik van de woning werd toegewezen vanwege huiselijk geweld en het belang van het kind bij verblijf in de vertrouwde omgeving.
De rechtbank bepaalde dat elke partij de eigen kosten draagt en wees overige verzoeken af.