ECLI:NL:RBOBR:2024:1047
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen studiefinanciering en intrekking beroep
Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van de minister van Onderwijs over studiefinanciering. De minister besloot uiteindelijk op 1 december 2023 alsnog een studentenreisproduct toe te kennen, waarna verzoekster haar beroep introk.
De rechtbank oordeelt dat de minister te laat heeft beslist op het bezwaar, waardoor verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze vergoeding is vastgesteld op € 437,50 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De minister erkent de tegemoetkoming, maar stelt dat de onrechtmatigheid niet aan hem te wijten is omdat verzoekster pas in de beroepsfase aanvullende feiten en documenten aanleverde die tot toekenning leidden. De rechtbank volgt dit standpunt en wijst een verdere proceskostenvergoeding af.
Ook wijst de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 50,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink op 15 maart 2024.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.