ECLI:NL:CRVB:2023:2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit afwijzing studiefinanciering voor periode april-december 2022 wegens ontbreken migrerend werknemerschap
Appellant, een Franse student, diende op 7 november 2021 een aanvraag in voor studiefinanciering voor de periode vanaf oktober 2021, waaronder een aanvullende beurs en een studentenreisproduct. De minister kende studiefinanciering toe voor oktober 2021 tot maart 2022, maar wees de aanvraag voor april tot en met december 2022 af omdat appellant niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste en niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit werd ongegrond verklaard. Tijdens de beroepsprocedure overwoog de minister alsnog studiefinanciering toe te kennen voor de periode april tot en met december 2022, op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst die appellant had overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen materieel geschil meer bestond en oordeelde dat de minister niet onrechtmatig had gehandeld.
Appellant stelde dat hij onterecht werd gediscrimineerd doordat hij niet voor het hele kalenderjaar studiefinanciering kreeg toegekend. De Raad verwierp dit en oordeelde dat alleen migrerende werknemers gelijkgesteld kunnen worden aan Nederlandse studenten volgens de Wet studiefinanciering 2000 en EU-richtlijnen. De minister mocht beoordelen of appellant in de relevante periode werknemer was. De eerdere afwijzing was daarom niet onrechtmatig en er was geen grond voor vergoeding van kosten rechtsbijstand.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister terecht studiefinanciering voor april-december 2022 heeft geweigerd wegens het ontbreken van migrerend werknemerschap.