Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement en de daarbij behorende aanslagen Afvalstoffenheffing en Hondenbelasting voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en aanslagen na bezwaar. Eiser stelt dat hij niet op juiste wijze is gehoord, ondanks zijn verzoek daartoe.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende heeft bewezen dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden conform de vereisten van afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het enkele telefoongesprek op 9 juni 2022 kan niet als hoorzitting worden aangemerkt, mede omdat geen verslag is gemaakt en geen toestemming voor telefonisch horen is gegeven.
De rechtbank oordeelt dat dit gebrek niet kan worden gepasseerd omdat eiser door het ontbreken van een correcte hoorzitting benadeeld is, gelet op het verschil van mening over feiten en waardering. Het beroep is gegrond, het bezwaarbesluit wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing met een correcte hoorzitting.
Proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de door eiser ingeschakelde gemachtigde niet beroepsmatig optreedt. Wel moet de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M. van den Brink op 2 mei 2024.