ECLI:NL:RBOBR:2024:1799

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
22/2672
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens te late betaling

Eiser parkeerde zijn auto voor de deur van een woning waar hij een verjaardagsfeest bezocht en vroeg de gastheer de auto via een parkeerapp te registreren. Volgens eiser was er een storing in de app, waardoor het 15 minuten duurde voordat de auto werd geregistreerd. In die tussentijd werd een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat eiser als feitelijk parkeerder verantwoordelijk is voor het voldoen van de parkeerbelasting. Hoewel mogelijk sprake was van een storing, had eiser op enig moment een alternatieve betaalmethode moeten kiezen, zoals de parkeerautomaat op steenworp afstand. De termijn van 15 minuten was te lang om te wachten.

Eiser stelde dat er sprake was van overmacht, maar de rechtbank stelt dat overmacht alleen geldt bij noodsituaties die fysiek verhinderen te betalen, wat hier niet het geval was. Daarom is de naheffingsaanslag terecht gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/2672

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

23 april 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen, hoewel hij met een aangetekende brief voor de zitting is uitgenodigd. De brief is door eiser afgehaald op 21 maart 2024 en eiser is dus behoorlijk opgeroepen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 8 oktober 2022 om 10:44 uur stond het voertuig met het kentekennummer [nummer] (de auto) geparkeerd aan de [adres] in [woonplaats] . Deze parkeerplaats is op grond van de toepasselijke gemeentelijke regelgeving aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Met een scanauto heeft de heffingsambtenaar geconstateerd op het hiervoor genoemde moment de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Dat was evenmin het geval bij een handmatige nacontrole om 10:52 uur.
2. Aan de kentekenhouder van genoemd voertuig ( [naam] B.V.) is op 11 oktober 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, bestaande uit € 2,57 parkeerbelasting en € 66,50 kosten naheffing. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en was daartoe ook bevoegd als feitelijk parkeerder van genoemd voertuig. [1] Met uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2022 is de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser vindt dat niet terecht en heeft daarom beroep ingesteld.
3. De bewijslast dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd, rust op de heffingsambtenaar. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar hierin is geslaagd. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de plaats waar eiser feitelijk heeft geparkeerd is aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven en dat dit ook voldoende kenbaar was. Eiser zegt dat hij vanaf ongeveer 10:45 uur te gast was op een verjaardagsfeest, dat hij bij binnenkomst de bewoner/gastheer heeft gevraagd zijn auto aan te melden via een parkeerapp, dat er een storing was in de app en dat het de bewoner uiteindelijk om 10:59 uur lukte de auto aan te melden.
3.2.
Verder vindt eiser dat hem geen redelijke termijn is gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen en dat daarom de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. De rechtbank is dit niet met eiser eens. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
3.2.1.
De vraag of een parkeerder een redelijke termijn is gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uitgaande van de voor eiser meest gunstige lezing van de feiten, heeft hij de auto geparkeerd en is die enkele ogenblikken daarna gescand door de scanauto. Eiser heeft bij of kort na binnenkomst in de woning de bewoner/gastheer gevraagd zijn auto aan te melden via een parkeerapp. De bewoner/gastheer was op dat moment bezig de auto van een andere gast (op het verjaardagsfeest) te registreren. Vanwege door eiser gestelde problemen met de app lukte dat pas om 10:59 uur waarna de bewoner/gastheer diezelfde minuut de auto van eiser heeft geregistreerd.
3.2.2.
Eiser is er als feitelijk parkeerder van de auto voor verantwoordelijk dat de verschuldigde parkeerbelasting wordt voldaan. Zelfs als het zo is dat er van een storing in het parkeerregistratiesysteem sprake was – wat door de heffingsambtenaar is bestreden – dan is het aan eiser om op enig moment ervoor te zorgen dat de parkeerbelasting op een andere geschikte wijze wordt betaald. Uit de foto’s in het dossier blijkt dat eiser de auto nagenoeg voor de deur van de woning heeft geparkeerd en dat op steenworp afstand daarvan een parkeerautomaat staat. Een algemene termijn waarna een parkeerder naar een alternatief moet zoeken om ervoor te zorgen dat hij de parkeerbelasting tijdig voldoet is niet te geven. In dit geval vindt de rechtbank dat eiser daarvoor een te lange termijn (van in totaal 15 minuten) in acht heeft genomen. Eiser had, toen na enkele minuten bleek dat het voldoen van de parkeerbelasting via de parkeerapp niet lukte, ervoor kunnen en moeten kiezen de parkeerbelasting via de aanwezige parkeerautomaat te voldoen. Het is de rechtbank nergens uit gebleken dat eiser van die mogelijkheid geen gebruik had kunnen maken.
3.3.
Eiser vindt dat hij door overmacht niet in staat was om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Van overmacht is volgens de huidige rechtspraak alleen sprake in een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om parkeergeld te betalen. [2] Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat geen sprake was van zo’n overmachtsituatie. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 11 oktober 2022 met de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2022 terecht heeft gehandhaafd.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508.
2.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2392.