Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
2.Het geschil
3.De beoordeling
€ 119,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Rechtbank Oost-Brabant
De zaak betreft een vordering van eiseres tegen gedaagde tot ontruiming van een kamer, betaling van huurachterstand en schadevergoeding. Eiseres had de kamer verhuurd voor een bepaalde tijd, die per 1 november 2022 eindigde. Gedaagde had de kamer niet tijdig verlaten en had een huurachterstand opgebouwd.
Gedaagde voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer omdat eiseres ten tijde van de dagvaarding failliet was. Dit verweer werd verworpen omdat het faillissement inmiddels was opgeheven, waardoor eiseres weer bevoegd is haar vorderingen in te stellen. Daarnaast betwistte gedaagde het bestaan van een huurovereenkomst met eiseres, stellende dat een woningcorporatie de eigenaar was. De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van een ondertekend contract, de feitelijke betaling en het genot van de kamer voldoende bewijs vormen voor het bestaan van een huurovereenkomst.
Gedaagde stelde ook dat hij de huurovereenkomst buitengerechtelijk had vernietigd wegens dwaling, omdat eiseres niet rechthebbende zou zijn. Dit verweer faalde wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een feitelijke grondslag.
De kamer was inmiddels ontruimd en verlaten door gedaagde, waardoor de vordering tot ontruiming werd afgewezen. De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €3.000 aan huur en gebruiksvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.000 aan huurachterstand en schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten.