Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Beoordeling van het bewijs.
Vrijspraak van het onder 3 primair tenlastegelegde.
Bewijsmiddelen.
Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 en 2.
.Dat bleek verdachte te zijn. Getuige hoorde aangeefster in de woning zeggen: “Je moet gewoon weggaan, je moet gewoon weg. Ik wil dat je weggaat!” Toen [getuige 2] vervolgens met aangeefster sprak, begon aangeefster intens te huilen en zei aangeefster dat zij niet mocht “snitchen”. Vervolgens heeft aangeefster aan [getuige 2] verteld dat zij verdachte die nacht had moeten pijpen. De rechtbank ziet in de waarnemingen van [getuige 2] steun voor de verklaringen van aangeefster.
Feit 3 subsidiair.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 4 en 5.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en maatregel.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
gevangenisstrafvoor de duur van 48 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging;