De zaak betreft twee beroepen van eiseres tegen besluiten van het UWV over uitkeringen van een ex-werkneemster op grond van de Wet WIA. Het eerste beroep gaat over een WGA-loonaanvullingsuitkering per 27 december 2014, het tweede over een IVA-uitkering per 16 november 2022. De rechtbank behandelt een gebrek in het besluit van 26 april 2023, waarin het UWV het recht op IVA-uitkering handhaafde.
Eiseres betoogt dat het UWV niet heeft onderzocht of het recht op IVA-uitkering niet eerder, tussen 2016 en 2022, was ontstaan. De rechtbank oordeelt dat het UWV inderdaad had moeten beoordelen op welk moment de ex-werkneemster duurzaam arbeidsongeschikt werd en wanneer het recht op IVA-uitkering ontstond. Dit gebrek maakt het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank geeft het UWV zes weken de tijd om dit gebrek te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door een nieuwe beslissing op bezwaar. Daarna krijgt eiseres vier weken om te reageren. De rechtbank sluit het onderzoek in het eerste beroep en bepaalt dat op beide beroepen gelijktijdig uitspraak zal worden gedaan. Tegen deze tussenuitspraak is geen direct hoger beroep mogelijk, maar wel samen met de einduitspraak.