De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg over de ingangsdatum van een IVA-uitkering voor een (ex-)werknemer van betrokkene. Het UWV had de uitkering vastgesteld op 25 februari 2020, 52 weken voorafgaand aan het verzoek om herbeoordeling van 25 februari 2021. De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van een bijzonder geval.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over een periode langer dan 52 weken voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Dit begrip wordt restrictief uitgelegd en de bewijslast ligt bij de aanvrager of betrokkene.
De Raad stelt vast dat het UWV terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen, omdat betrokkene niet heeft onderbouwd dat zij redelijkerwijs niet in verzuim kan worden geacht. De eerdere rapportage van de verzekeringsarts en het niet verrichten van een herbeoordeling door het UWV vormen geen bijzonder geval. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV ongegrond.