ECLI:NL:RBOBR:2024:4575
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en onderbouwing vergelijkingsmethode
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning uit 1991, vastgesteld op €558.000 voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar baseert de waardering op een waardematrix met drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in kwaliteit, onderhoud en ligging.
Eiser stelt onder meer dat de heffingsambtenaar artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden door niet tijdig gegevens te verstrekken over de vergelijkingsobjecten en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn vanwege de verkoopdatum. Ook betwist eiser dat voldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud, duurzaamheid en ligging nabij een snelweg.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze heeft onderbouwd en dat het gebruik van nieuwe vergelijkingsobjecten in bezwaar is toegestaan zonder proceskostenveroordeling. De vermeende schending van artikel 40 Wet Pro WOZ wordt verworpen omdat deze niet ziet op gegevens in de uitspraak op bezwaar. De staat van onderhoud en ligging zijn voldoende meegenomen in de waardering, waarbij de deskundige taxateur de correcties heeft vastgesteld.
Een verzoek van eiser om het onderzoek te heropenen en de zaak op zitting te behandelen wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €558.000 blijft gehandhaafd.