Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De voor dit vonnis relevante feiten
4.De collectieve vordering
5.De voorwaardelijke tegenvordering
6.De beoordeling
Ontvankelijkheidseisen
7.De beslissing
3 januari 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
FNV heeft een collectieve actie ingesteld tegen [gedaagde] wegens vermeende onjuiste toepassing van een spaarurenregeling uit de cao, met name inzake het afboeken van spaaruren tijdens vorstdagen in februari 2021 en de periode 5-7 januari 2022. De rechtbank toetst de ontvankelijkheid van de vorderingen aan de eisen van artikel 3:305a BW en de artikelen 1018c t/m 1018g Rv.
De rechtbank oordeelt dat FNV niet ontvankelijk is in haar primaire vorderingen vanwege onduidelijkheid over het doel en de strekking van deze vorderingen en het ontbreken van voldoende steun van de achterban. De subsidiaire vorderingen zijn wel ontvankelijk verklaard, omdat deze aansluiten bij de feitelijke en juridische geschilpunten en het representativiteitsvereiste wel is voldaan.
FNV wordt aangewezen als exclusieve belangenbehartiger voor een nauw omschreven groep werknemers en ex-werknemers van [gedaagde] die verplicht deelnemen aan het spaarurenmodel. De rechtbank geeft een gedetailleerde omschrijving van de collectieve vordering en de groep personen waarvoor FNV optreedt. Tevens worden voorschriften gegeven over de communicatie aan de betrokkenen met betrekking tot opt-out en opt-in mogelijkheden.
De rechtbank wijst de eigen schadevordering van FNV af omdat deze niet binnen de collectieve actie past. De zaak wordt aangehouden voor verdere procedurele stappen, waaronder het indienen van akten over de praktische invulling van de communicatievoorschriften en eventuele schikking.
De uitspraak is gewezen door drie rechters en op 3 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: FNV is niet-ontvankelijk in haar primaire vorderingen, wel ontvankelijk in subsidiaire vorderingen en wordt aangewezen als exclusieve belangenbehartiger.