De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 6 november 2024 de zaak tegen een toen 13-jarige verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van een eveneens 13-jarig slachtoffer. De tenlastelegging betrof het met geweld of bedreiging dwingen tot seksuele handelingen. De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan wegens procedurele tekortkomingen en verzocht om heropening van het onderzoek, maar deze verzoeken werden afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De verdachte erkende seksueel contact, maar stelde dat dit met instemming van het slachtoffer was. De rechtbank stelde dat het bewijs in zedenzaken niet uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer mag berusten en dat aanvullend steunbewijs noodzakelijk is voor de dwangcomponent.
Hoewel de verklaringen van het slachtoffer consistent en geloofwaardig waren, ontbrak voldoende steunbewijs voor het gebruik van dwang of bedreiging. De verklaringen van twee disclosure-getuigen over de emotionele toestand van het slachtoffer konden de dwangcomponent niet bevestigen. De verdachte had wisselende verklaringen afgelegd, maar dit vormde geen steunbewijs. Daarom werd de verdachte vrijgesproken van verkrachting.
De civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, onder voorzitterschap van H.M. Hettinga.