Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] ., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Vught, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft met de door hem verstrekte informatie – waaronder foto’s bij het verweerschrift – en de daarbij gegeven toelichting voldoende onderbouwd dat het oorspronkelijk aanwezige object uit 1952 volledig is gesloopt en dat van de naastgelegen werkplaats, wereldwinkel en bovenwoning (hierna: oudbouw) slechts het casco van de wereldwinkel en bovenwoning zijn behouden en dat de werkplaats is gesloopt. De resterende en behouden gedeelten van de oudbouw zijn volledig geïntegreerd in de nieuwbouw. Eiseres heeft met het enkele overleggen van het taxatierapport van Phydias, waarin, onder het kopje “nadere omschrijving van het object”, is vermeld: “Het betreft een verzorging/verpleeghuis uit 1952 (renovatie/uitbreiding in 2022)” onvoldoende onderbouwd dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan van een uit 1952 daterend verzorgings-/verpleeghuis dat in 2022 is uitgebreid. De heffingsambtenaar heeft bij het bepalen van de vervangingswaarde dan ook mogen uitgaan van de aanschaffingsprijs van de oudbouw en de stichtingskosten van de nieuwbouw. De oudbouw is voor een bedrag van € 1.856.064 – exclusief BTW – aan eiseres geleverd. Dit volgt uit de leveringsakte van de oudbouw. De waarde van de grond is, zoals ook blijkt uit de leveringsakte, in dit bedrag betrokken. Voor zover eiseres op zitting nog heeft gesteld dat de sloopkosten buiten de waardering moeten worden gehouden volgt de rechtbank dat niet. De sloopkosten maken deel uit van het offer dat een ondernemer moet brengen om de ondergrond vrij te maken voor de bouw van een nieuw pand. De sloopkosten behoren daarmee tot de aanschaffingskosten die de ondernemer heeft moeten maken. Dat betekent dat in beginsel de heffingsambtenaar de sloopkosten had kunnen toevoegen aan de vervangingswaarde. Dat heeft de heffingsambtenaar ten voordele van eiseres niet gedaan. Eiseres heeft niet onderbouwd met stukken dat dit anders zou moeten zijn. De heffingsambtenaar heeft de stichtingsprijs van de nieuwbouw vervolgens vastgesteld aan de hand van de door eiseres opgegeven bouwkosten bij haar aanvraag om een omgevingsvergunning, vermeerderd met de BTW. Eiseres heeft in die aanvraag een bedrag van € 1.800.000 exclusief BTW vermeld, wat inclusief BTW € 2.178.000 is. Eiseres heeft niet bestreden dat voor de nieuwbouw inclusief BTW moet worden gewaardeerd. Daarmee bedraagt de vervangingswaarde van het object (€ 1.856.064 + € 2.178.000 =) € 4.034.064. Dat bedrag is hoger dan de vastgestelde WOZ-waarde. Dus heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.