ECLI:NL:RBOBR:2024:6064

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
C/01/398628 / HA ZA 23-727
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 6:136 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tot betaling voorschot in facturen tussen beveiligingsbedrijven

In deze civiele bodemzaak tussen TKO Diensten V.O.F. en Securimon B.V. vordert TKO betaling van openstaande facturen voor ingehuurd personeel. Securimon betwist de hoogte van de facturen en stelt een verrekenbare tegenvordering in verband met schade door een vechtpartij waarbij via TKO tewerkgestelde personen betrokken waren.

TKO verzoekt in een incident op grond van artikel 223 Rv Pro om een voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot van € 35.391,29. De rechtbank overweegt dat een dergelijke voorziening alleen kan worden toegewezen indien de vordering voldoende vaststaat of eenvoudig kan worden vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is omdat Securimon een substantiële tegenvordering heeft die niet zonder meer onjuist kan worden geacht. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat TKO een zwaarder belang heeft bij toewijzing van de voorziening. Het beroep van TKO op artikel 6:136 BW Pro om verrekening te passeren wordt eveneens niet gehonoreerd.

Daarom wijst de rechtbank de voorlopige voorziening af en veroordeelt TKO in de proceskosten van € 792,00, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening tot betaling van het gevorderde voorschot af en veroordeelt TKO in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/398628 / HA ZA 23-727
Vonnis in incident van 4 december 2024
in de zaak van
T.K.O.DIENSTEN V.O.F.,
te Venray,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: TKO,
advocaat: mr. B.C.A. Reijnders,
tegen
SECURIMON B.V.,
te Deurne,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Securimon,
advocaat: mr. S. Ploegmakers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van TKO,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Securimon,
- de conclusie van antwoord in reconventie van TKO,
- de incidentele conclusie ex artikel 223 Rv Pro van TKO,
- de conclusie van antwoord in incident, tevens akte overlegging producties in de hoofdzaak, tevens akte aanvulling verweer in conventie in de hoofdzaak, tevens akte wijziging en aanvulling van eis in reconventie in de hoofdzaak van Securimon.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Securimon is een beveiligingsbedrijf dat personeel van TKO heeft ingehuurd.
2.2.
In de hoofdzaak vordert TKO betaling van € 59.027,43 voor openstaande facturen voor ingehuurd personeel. Volgens Securimon kloppen de facturen niet: het totaal ervan zou volgens haar € 35.391,29 moeten zijn. Ook stelt zij een (verrekenbare) tegenvordering te hebben van € 150.538,90 in verband met diverse gebeurtenissen. Een van die gebeurtenissen is een opstootje/vechtpartij waar mensen die via TKO te werk waren gesteld bij betrokken waren. Securimon is door TKO (althans door de mensen die via TKO te werk waren gesteld) klanten kwijtgeraakt en aansprakelijk gesteld voor schade aan personen i.v.m. letsel, aldus Securimon.
2.3.
In het incident vordert TKO, bij wijze van voorlopige voorziening (dus in afwachting van de uitkomst van de hoofdzaak), betaling van € 35.391,29, te vermeerderen met rente en kosten.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.
TKO baseert de vordering in het incident op artikel 223 Rv Pro, waarin staat dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding. Uit de rechtspraak volgt dat een op artikel 223 Rv Pro gestoelde vordering toewijsbaar is als van eiser (in dit geval TKO) niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. Bij de beoordeling dient de rechter de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin. [1]
Bij een gevorderde voorlopige voorziening in de vorm van betaling van een geldsom (zoals hier het geval) is, mede in verband met het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, toewijzing over het algemeen alleen gerechtvaardigd, indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot al voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. [2]
2.6.
In het licht van dit beoordelingskader is de rechtbank van oordeel dat de vordering in het incident niet toewijsbaar is.
2.7.
Dat een deel van de hoofdvordering al voldoende vaststaat is of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld, is niet gebleken. Weliswaar heeft Securimon erkend dat hij zij in beginsel € 35.391,29 moet betalen, maar Securimon heeft daartegenover gemotiveerd gesteld dat zij een substantiële verrekenbare tegenvordering heeft (van € 150.538,90) en op basis van het gestelde kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat deze tegenvordering onjuist is. Met andere woorden: de tegenvordering kan, voor een deel, juist zijn. De tegenvordering houdt immers verband met gebeurtenissen – waaronder een opstootje / vechtpartij waar mensen die via TKO te werk waren gesteld bij betrokken was/waren – waardoor Securimon schade stelt te hebben geleden en dat een belangrijk deel van deze gebeurtenissen (waaronder het opstootje / de vechtpartij) zich heeft voorgedaan is erkend en de rechtbank kan op basis van het gestelde niet uitsluiten dat dit tot schade heeft geleid (i.v.m. verlies van klanten en aansprakelijkheid voor (letsel)schade aan (een) bezoeker(s)). De rechtbank ziet verder in het gestelde geen aanknopingspunten waaruit volgt dat de tegenvordering hoe dan ook minder dan € 35.391,29 zal bedragen.
2.8.
TKO heeft ook overigens onvoldoende onderbouwd dat zij een belang heeft bij toewijzing van de voorlopige voorziening dat zwaarder weegt dan het belang van Securimon. Weliswaar heeft TKO gesteld dat het betaald krijgen voor de facturen voor haar van vitaal belang is, maar deze stelling wordt alleen al gepasseerd omdat zij niet is onderbouwd. Uit niets blijkt dat het voortbestaan van TKO in gevaar komt als niet op korte termijn een deel van het gevorderde wordt betaald (voor zover TKO heeft bedoeld dat te zeggen).
2.9.
TKO heeft aangevoerd dat haar vordering in conventie ondanks een beroep op verrekening toewijsbaar kan zijn op grond van artikel 6:136 BW Pro, omdat aan de daarin genoemde eisen is voldaan. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om alsnog de provisionele vordering toe te wijzen. De in artikel 6:136 BW Pro mogelijkheid om, kortweg, een beroep op verrekening met een tegenvordering te passeren is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het feit dat is voldaan aan de eisen van 6:136 BW betekent nog niet dat het beroep op verrekening met een tegenvordering zal worden gepasseerd. In ieder geval kan op basis van het gestelde vooralsnog niet worden geconcludeerd dat de rechtbank in de hoofdzaak een beroep op artikel 6:136 BW Pro zal honoreren.
2.10.
TKO is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Securimon worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00
2.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beoordeling

in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt TKO in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als TKO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt TKO tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten in het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 25 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2129, in het bijzonder randnummer 2.8.
2.Gerechtshof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1922, in het bijzonder randnummer 8.