ECLI:NL:RBOBR:2024:6211
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 10 december 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin een werkgever bezwaar maakte tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie. Het UWV had de loonsanctie opgelegd omdat de werkgever onvoldoende had gedaan aan de re-integratie van een zieke werkneemster die psychische klachten had. De werkneemster werkte aanvankelijk gedeeltelijk, maar viel uiteindelijk volledig uit en bouwde haar werkuren langzaam op, echter achterlopend op de adviezen van de bedrijfsarts.
De werkgever stelde dat hij de adviezen van de bedrijfsarts had opgevolgd en dat er zicht was op structurele werkhervatting, waardoor het tweedespoortraject niet hoefde te worden gestart. De rechtbank oordeelde echter dat er begin maart 2022 geen concreet perspectief was op structurele werkhervatting binnen drie maanden na het eerste ziektejaar, mede door stagnatie in het herstel en het feit dat de werkneemster minder uren werkte dan geadviseerd.
De rechtbank concludeerde dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en dat het UWV terecht de loonsanctie had opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard, de loonsanctie bleef in stand en de werkgever kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De loonsanctie blijft in stand omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en het tweedespoortraject niet is gestart.