De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van (verlengde) uitvoer en vervoer van bijna 10 kilogram 3-Chloormethylcathinon (3-CMC) en voor witwassen van €10.030. Verdachte werd vrijgesproken van de tenlasteleggingen met betrekking tot 3-methylmethcathinon (3-MMC) vanwege onvoldoende bewijs dat het om deze stof ging.
De bewezenverklaring is gebaseerd op onder meer chatberichten, inbeslaggenomen telefoons, en de vondst van kattenbakgrindzakken die gebruikt werden voor het verpakken van drugs. Verdachte was organisator en initiatiefnemer van de uitvoer en handel in 3-CMC. Het witwasfeit werd bewezen geacht omdat verdachte geen aannemelijke verklaring kon geven voor de herkomst van het geldbedrag.
De rechtbank achtte de feiten ernstig gezien de hoeveelheid drugs en de maatschappelijke impact van harddrugs. Verdachte had een strafblad en eerdere Opiumwettransactie, wat meewoog in de strafbepaling. Gezien de eendaadse samenloop van feiten 1 en 2 werd geen strafverzwaring toegepast. De opgelegde straf is 54 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd verbeurdverklaring van geldbedragen uitgesproken.
De vrijspraak voor de feiten met betrekking tot 3-MMC volgde omdat de substantie niet in beslag was genomen en de chatberichten twijfel opriepen over de identiteit van de stof. De rechtbank volgde het 6-stappenarrest voor de beoordeling van het witwasfeit en concludeerde dat verdachte wist dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 13 december 2024 na onderzoek ter terechtzitting op 29 november 2024.