Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.de rechtspersoon naar Belgisch recht N.V. BESIX S.A.,
2. de rechtspersoon naar Belgisch recht
BESIX ENVIRONMENT NV,
1.De procedure
- de akte van Besix van 9 juni 2023 met prod. B205-207
- de akte van het Waterschap van 9 juni 2023 met prod. W258-260
2.Inleiding
3.Het geschil: eiswijzigingen Waterschap
4.De verdere beoordeling
Reacties op het tussenvonnis van 3 augustus 2022
inbrengenvan een algemeenheid of een bedrijfstak. Voor zover hier relevant luiden die artikelen:
De verkrijgende vennootschap waaraan deze schuldvordering overeenkomstig het voorstel van inbreng is toegekend en, in voorkomend geval, de vennootschap die de inbreng doet, kunnen elk deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, legt de meest gerede partij het geschil voor aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de schuldplichtige vennootschap, die zetelt in kort geding. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de vennootschap moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet gebeuren, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken verkrijgende vennootschap.
Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en zijn de verkrijgende vennootschappen hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
Deze aansprakelijkheid is beperkt tot het nettoactief dat de inbrengende vennootschap behoudt buiten het ingebrachte vermogen.
§ 2. (…)
overdrachtvan bedrijfstak kunnen onderwerpen aan de regeling voor inbreng van bedrijfstak van titel 3. Dat artikel luidt voor zover relevant als volgt:
Hiervan wordt uitdrukkelijk melding gemaakt in het voorstel van overdracht opgesteld overeenkomstig artikel 12:93, alsook in de akte van overdracht neergelegd overeenkomstig artikel 12:95. Die akte van overdracht wordt in authentieke vorm opgemaakt.
In dat geval heeft de overdracht de gevolgen bedoeld in artikel 12:96 en Pro derden kunnen de bij artikel 12:102 ingestelde Pro niet-tegenwerpelijkheid doen gelden.
“Ons streven naar een ontwerpeis voor N-verwijdering tot 6,2 ppm, omdat we de stikstof als één van de belangrijkste parameters zien (topeis)”. Uit deze bewoordingen blijkt dat het ook voor Besix duidelijk kenbaar was dat deze eis van zeer groot belang is voor het Waterschap. Het Waterschap kan niet worden gedwongen deze wezenlijke en essentiële eis prijs te geven en daarom zal de alternatieve oplossing in ieder geval aan deze eis moeten voldoen. Vaststaat tussen partijen dat met C-brondosering de eis N=7 niet gehaald wordt, ook niet bij benadering.
“Qua verwijderingsrendement wordt erverwachtdat door C-bron dosering het jaargemiddelde tenminste kan worden teruggebracht tot de Europese norm van 10 mg Ntot/l. Aldus wordt een reductie van de totaal stikstof van 12 mg/l (huidige belasting van de RWZI) naar gelijk aan of kleiner dan 10 mg Ntot/1beoogd”[onderstreping rechtbank]. Uit die bewoordingen blijkt dat ook (de adviseur van) Besix er niet zonder meer voor kan instaan dat aan de huidige wettelijke eisen kan worden voldaan. Dat wordt nog versterkt door de gemotiveerde stellingen van het Waterschap over de (in)effectiviteit van C-brondosering.
“Een tweede nadeel van DB 2.0 in vergelijking met het ontwerp op basis van de EssDe-technologie is dat een conventionele waterzuivering à la DB 2.0 significant meer energie verbruikt. Het ontwerp DB 2.0 gaat daarmee recht in tegen één van de belangrijkste speerpunten waarmee het Waterschap het project in de markt heeft gezet: de wens om een energiezuinige RWZI op te leveren. […]”. In zijn antwoordakte na tussenvonnis (onder 3.5.3) heeft het Waterschap vervolgens het standpunt ingenomen ‘dat hij niet inziet waarom DB 2.0 uiteindelijk niet energieneutraal zou kunnen werken’. In het licht van de rapportage van zijn eigen adviseur en de eigen eerdere stellingen van het Waterschap, had het Waterschap naar het oordeel van de rechtbank meer uitgebreid moeten motiveren waarom DB 2.0 ondanks het significant hogere energieverbruik toch energieneutraal zou kunnen functioneren. Het Waterschap heeft het echter gelaten bij een algemene verwijzing naar ‘het eventueel toevoegen van voldoende mogelijkheden om groene stroom op te wekken’. De rechtbank acht dat onvoldoende en gaat daaraan voorbij.
“Op basis van de berekeningen (…) kan dus niet worden geconcludeerd dat de resultaten van de AERIUS-berekening op voorhand tot uitsluiting van een Natuurvergunning zullen leiden. De beantwoording van de vraag of de Natuurvergunning verleend kan worden, is immers afhankelijk van de resultaten van een ecologische beoordeling (waaronder een voortoets en een passende beoordeling (…)).”In het ‘reactiememo’ van advocatenkantoor [H] dat het Waterschap heeft overgelegd staat onder meer dat zonder deugdelijk (milieu-)technisch onderzoek geen betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken over de al dan niet vergunbaarheid van DB 2.0.
- welke vragen zij kwalitatief kunnen beantwoorden, welke vragen zij kwantitatief kunnen beantwoorden en welke vragen zij misschien niet zullen kunnen beantwoorden, of pas na aanvullend veldonderzoek,
- welke route zij willen volgen voor wat betreft de volgorde van het onderzoek en de daarvoor benodigde documenten,
- dat zij verwachten in totaal circa 234 uur per persoon nodig te hebben, dat zij in contact zullen treden met de rechtbank als dat niet toereikend zal blijken te zijn, dat zij alleen werkelijk gemaakte uren in rekening zullen brengen,
- dat nog geen inschatting kan worden gemaakt van het benodigde bedrag aan reiskosten,
- dat de uurvergoeding voor de heer Van Boheemen € 130,- bedraagt, en die voor de heer Boot € 135,- (beide exclusief btw), en dat voor reiskosten € 0,78 per km zal worden gedeclareerd.
effluent, terwijl Besix stelt dat zij op basis van verkeerde informatie over de
influentsamenstelling geen goed ontwerp heeft kunnen maken en daarom niet kan voldoen aan de
effluentvereisten. Dat kan niet één op één worden beweerd. Verder zijn volgens het Waterschap de historische effluentgegevens niet meer relevant bij een volledige herontwikkeling. OON-metingen kennen daarbij een relatief grote mate van onzekerheid. Als 1,5 mg/l de topwaarde is, dan valt 1,7 mg/l binnen het betrouwbaarheidsinterval. Besix is zelfs uitgegaan van een groter betrouwbaarheidsinterval dan 0,2 mg/l. Het Waterschap verwijst naar een passage over robuustheid uit het risicobeheersplan (prod. W-8, §3.1, p.12): “
er is rekening gehouden met 6,2 ppm (=mg/l)”. Tot slot stelt het Waterschap dat vordering V van Besix, over het opdragen van VTW 138, onvoldoende bepaald is en daarom moet worden afgewezen.
in het effluentgeen historische gegevens beschikbaar waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat die stelling juist is, en geoordeeld dat deze onjuiste mededeling voor rekening en risico van het Waterschap komt (ro. I-5.170).
effluent. Zoals de rechtbank in haar omkadering van de discussie in ro. I-5.143 al duidelijk heeft gemaakt kan een overschrijding in het effluent langs twee manieren tot stand komen: 1) een dusdanig hoge waarde in het
influentdat een deugdelijk ontworpen en functionerende zuivering niet tot het juiste effluent komt, terwijl deze dat bij normale influentwaarden wel zou hebben gekund 2) een niet deugdelijk ontworpen of gebouwde installatie. Waar het om gaat is dat Besix zich verbonden heeft aan de effluenteis van N=7. N=7 gaat om de maximumwaarde in mg/l die alle vormen van stikstof (Ntot) bij elkaar mogen hebben. N-inert is hier een onderdeel van. Tussen partijen staat vast dat de waarde van N=7 op dit moment ruimschoots wordt overschreden. Vast is komen te staan dat dit in ieder geval te wijten is aan het falen van de EssDe®. Dit valt dus onder de tweede oorzaak (een niet deugdelijk ontworpen installatie), wat in beginsel binnen de risicosfeer van Besix valt. Mede in het licht van de betwisting door het Waterschap, heeft Besix te weinig gesteld om te kunnen aannemen dat de oorzaak voor het niet halen van de overeengekomen eis N=7 (deels) is veroorzaakt door het feit dat Besix door toedoen van het Waterschap bij het ontwerp ten onrechte is uitgegaan van de landelijk gemiddelde waarde van N-inert in het effluent (tussen 0,5-1,5 mg/l) en niet van de waarde die voor de RWZI ’s-Hertogenbosch in een STOWA-rapport stond aangegeven (1,7 mg/l). Met andere woorden: het causaal verband op dit punt is niet vast komen te staan. De rechtbank licht dit hierna toe, maar voor Besix heeft het in ieder geval de consequentie dat zij geen aanspraak kan maken op kostenvergoedingen en/of termijnverlengingen. Voor het opdragen van VTW 138 ziet de rechtbank – nog los van het feit dat haar nog niet duidelijk is geworden wat dit dan concreet zou moeten behelzen – gezien het voorgaande geen aanleiding.
5.2 Uitvoeren
Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Over de hoogte van eventuele andere kosten in verband met die afdekking is door het Waterschap niets gesteld of onderbouwd, zodat er geen grond is voor toewijzing van een voorschot.
Primair: voor recht te verklaren dat Besix c.s. jegens het Waterschap toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van EisID S.3 van de Vraagspecificatie Deel 1 en dat zij dientengevolge aansprakelijk is voor de schade die het Waterschap hierdoor heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, in de vorm van gederfde inkomsten door de ontoereikende capaciteit van de sliblijn, nader op te maken bij staat.
Subsidiair: Besix c.s. te veroordelen tot het aanpassen van haar ontwerp zodanig dat de aanvoer van de sliblijn (en specifiek de weegtrechters) voldoen aan EisIS S.3 van Vraagspecificatie 1 en daarmee zullen zijn gedimensioneerd op 130% van de gemiddelde aanvoer van extern slib.
VTW 59is aan het Waterschap voorgelegd op 4 september 2018 maar ziet op vertragingen in het Werk die ruim daarvoor zouden zijn opgetreden. De in VTW 59 verwerkte acht VTW’s waar Besix zich blijkens haar conclusie van antwoord hoofdzakelijk op beroept, hebben betrekking op vertragende omstandigheden die zich voordeden tussen april 2016 en januari 2018. Volgens het Waterschap heeft Besix daarmee gehandeld in strijd met § 44 en 45 van de UAV-GC 2005. Besix betwist niet dat zij door deze laattijdige indiening van haar claim niet heeft gehandeld in overeenstemming met de bedoelde voorschriften uit de UAV-GC 2005, maar volgens Besix was in afwijking van deze voorschriften tussen partijen op 23 maart 2017 de afspraak gemaakt om termijnverlengingen in verband met verschillende VTW’s gebundeld en op een later moment af te handelen middels een afzonderlijke VTW 59. Het Waterschap betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt.
VTW 26maakt onderdeel uit van VTW 59 maar was door Besix al eerder aan het Waterschap voorgelegd. Besix heeft hierin aanspraak gemaakt op een termijnverlenging in verband met het aantreffen van NGE-verdachte objecten op verschillende locaties (NGE staat voor ‘niet gesprongen explosieven’). Besix heeft direct bij de indiening van VTW 26 op 25 april 2016 aangegeven dat dit zal leiden tot drie weken vertraging in het Werk. Dat is door het Waterschap geaccordeerd op 17 mei 2016.
VTW 70is door Besix voorgelegd op 11 september 2018 en hierin vermeldt Besix een (extra) vertraging op het kritieke pad van 23 weken omdat door (herhaalde) herstelwerkzaamheden aan geconstateerde lekkages in de beide slibvergistingstanks, de vervolgwerkzaamheden die op 20 april 2017 zouden starten werden vertraagd tot 29 september 2017. Het Waterschap heeft deze VTW niet goedgekeurd.
VTW 91is door Besix voorgelegd op 4 oktober 2018 en hierin vermeldt Besix een (extra) vertraging van 30 weken omdat in verband met een overschrijding van de vergunde stikstofnorm voor effluent alle vijf waterstraten gebruikt moesten worden (om effluentkwaliteit te verbeteren) en de renovatie aan waterlijn 2 zodoende kwam stil te liggen van 27 februari 2018 t/m 3 september 2018. Het Waterschap heeft deze VTW niet goedgekeurd.
kortingen op grond van artikel 18.1 van de basisovereenkomst(discussiepunt VI) verrekend met de bouwtermijnen 41 tot en met 43. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 augustus 2022 al beslist dat het Waterschap die korting ten onrechte heeft verrekend (I-5.257), omdat die korting niet verschuldigd is bij de enkele overschrijding van de stikstofnorm maar alleen als Besix concrete beheersmaatregelen uit het risicobeheersplan niet tijdig of ondeugdelijk uitvoert, wat door het Waterschap onvoldoende is onderbouwd (ro. I-5.211).
onder 1genoemde boetes op grond van artikel 16.1b van de basisovereenkomst in verband met te late oplevering van het Werk (discussiepunt VII) heeft de rechtbank beslist dat het Waterschap in ieder geval de boetes over de eerste drie weken in verband met de door het Waterschap erkende bouwtijdverlenging ten onrechte heeft verrekend (ro. I5.260 en I-5.234). De overige boetes heeft de rechtbank gemaximeerd tot € 3.650.000,‑ (ro. I-5.238). In ro. 4.262 van dit vonnis is het beroep van Besix op verdere bouwtijdverlenging verworpen. Een en ander betekent voor het beroep op verrekening dat het Waterschap over de periode vanaf 22 oktober 2018 (1 oktober 2018 plus drie weken) terecht de boete van € 5.000,‑ per dag heeft verrekend met de bouwtermijnen. Die terechte verrekening eindigde op 21 augustus 2020, toen partijen in de Procesafspraken overeenkwamen dat Besix tijdens de duur van die Procesafspraken geen boetes verschuldigd zou zijn (ro. I-5.234). De Procesafspraken golden tot en met 31 januari 2021, zodat het Waterschap vanaf 1 februari 2021 de boete van € 5.000, weer mocht verrekenen, tot het moment waarop het maximumbedrag van de boete van € 3.650.000,‑ was bereikt. Voor het overige moet het beroep op verrekening met boetes op grond van artikel 16.1b van de basisovereenkomst worden verworpen.
onder 2vermelde vertraging van het biogas niet toewijsbaar zijn (ro. I-5.251), zodat het Waterschap het bedrag van € 2.483.556,‑ ten onrechte met de bouwtermijnen heeft verrekend (ro. I-5.260).
onder 3genoemde verrekenpost van € 51.714,06 betreft de kosten van herstel in mei 2016 door Besix van lekkages in de twee slibvergistingstanks door middel van glasinjectie. Het Waterschap heeft voor dat herstel € 51.714,06 aan Besix vergoed via een stelpost, maar het Waterschap heeft zich later op het standpunt gesteld dat deze kosten voor rekening van Besix kwamen en daarom het bedrag van € 51.714,06 verrekend met bouwtermijn 50.
onder 4genoemde verrekenpost van € 180.655,‑ is door het Waterschap in zijn toetsverslag (prod. W-183) in mindering gebracht op bouwtermijn 54 van € 726.410,‑. Er was door overmatige schuimvorming schade ontstaan aan onderdelen van de DEMON®-installatie die al door het Waterschap waren betaald. Het Waterschap hield daarom de geschatte herstelkosten van € 180.655,‑ in op deze bouwtermijn.
onder 5genoemde verrekenpost betreft de schade aan stoomketels van [J] als gevolg van een te hoog siloxaangehalte in het door het Waterschap aan [J] geleverde biogas. Het Waterschap heeft in verband daarmee een bedrag van € 99.426,‑ verrekend met bouwtermijn 55.
- het Waterschap niet opgeeft wanneer die schade is ontstaan; dat ontstaansmoment is van belang omdat de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld dat de aanbiedingsplanning geen fatale termijnen bevat en dat uit de Vraagspecificatie volgt dat de levering van biogas pas aan de orde is na de renovatie; dat betekent dat Besix voor dat moment niet tekort kan schieten ter zake gestelde gebreken aan het biogas;
- Besix geen gelegenheid heeft gekregen om de eventuele schade zelfstandig te inspecteren en oorzaken en causaal verband zelf vast te stellen, zodat Besix is benadeeld in haar mogelijkheid om deugdelijk verweer te kunnen voeren;
- het Waterschap niet tijdig heeft geklaagd, zodat zijn rechten op grond van artikel 6:89 BW Pro zijn vervallen;
- uit niets blijkt dat het Waterschap gehouden was enige schade aan [J] te vergoeden;
- Besix betwist dat zij in enige verplichting is tekortgeschoten;
- het Waterschap Besix niet in gebreke heeft gesteld, waardoor geen sprake is van verzuim.
onder agenoemde verrekenpost van € 6.131,78 zijn partijen het eens dat Besix aan het Waterschap heeft verzocht om analyses door [K] te laten uitvoeren en dat Besix daarbij heeft aangegeven dat het Waterschap de kosten daarvan van € 5.455,32 bij Besix in rekening kon brengen door ze in een VTW te verrekenen (email Besix prod. W243). Het Waterschap heeft echter het hogere bedrag van € 6.131,78 verrekend, dat door Besix wordt betwist. De rechtbank ontleent aan het toetsverslag voor bouwtermijn 48 (prod. B-134, waarnaar het Waterschap in zijn akte heeft verwezen) dat het Waterschap een toeslag van 12,4% heeft toegepast. Daarvoor wordt verwezen naar een bijlage, die bij de productie ontbreekt. Omdat het Waterschap in zijn akte niet heeft toegelicht waarom de toeslag is toegepast en evenmin alsnog de bijlage heeft overgelegd, zal de rechtbank het beroep op verrekening voor die toeslag als onvoldoende onderbouwd afwijzen. Besix meent dat ook de verrekening met het bedrag van € 5.455,32 niet terecht is, omdat zij de VTW nooit heeft ontvangen. De omstandigheid dat het Waterschap niet de VTW heeft gestuurd waarom Besix had gevraagd, doet echter niet af aan de toezegging door Besix dat het Waterschap het bedrag van € 5.455,32 mocht verrekenen. De rechtbank honoreert daarom het beroep van het Waterschap op verrekening tot dat bedrag.
onder bgenoemde verrekenpost van € 130,‑ en € 135,42 betreft volgens het Waterschap extra kosten van transportbedrijf [L] , de transporteur van slib, die bij de verlading enkele malen heeft moeten wachten omdat dit onder begeleiding van iemand van Besix diende te geschieden. Besix betwist dat die extra kosten voor haar rekening komen, omdat zij met [L] en het Waterschap was overeengekomen dat Besix door [L] tijdig over transporten zou worden ingelicht. Volgens Besix had [L] dat in de betreffende gevallen niet gedaan, zodat Besix de begeleiding niet tijdig had kunnen organiseren. Het Waterschap heeft op de zitting van 20 juni 2023 niet op dat verweer gereageerd, maar volstaan met verwijzing naar de producties B-135, B-136, B-140 en B-141. In die producties is echter niets vermeld dat relevant is voor het verweer van Besix. De rechtbank verwerpt dit beroep op verrekening, omdat het Waterschap onvoldoende heeft onderbouwd waarom Besix verplicht zou zijn de extra kosten van [L] te vergoeden.
onder cgenoemde verrekenpost van € 37.141,‑ betreft volgens het Waterschap de kosten van DMT voor de periode van onderhoud voorafgaand aan ingebruikname, die door het Waterschap zijn gemaakt om de installatie veilig te kunnen blijven bedrijven. Het Waterschap verwijst naar de producties B-140 en B-141.
onder dgenoemde verrekenpost betreft schoonmaakkosten die volgens het Waterschap noodzakelijk waren omdat de trommelindikkers geregeld in storing waren of verstopt raakten, waardoor er slib op de vloer terecht kwam. Dit betrof volgens het Waterschap een structureel probleem, dat het Waterschap heeft opgelost door [M] telkens de opdracht te geven om deze ruimte schoon te maken. Besix betwist dat de door [M] schoongemaakte verontreinigingen waren toe te rekenen aan Besix, die steeds eigenhandig alle verontreinigingen heeft opgeruimd en afgevoerd die aan haar waren toe te rekenen. Bovendien ontbreekt volgens Besix verzuim. Het Waterschap heeft op de zitting van 20 juni 2023 niet op dat verweer gereageerd, maar volstaan met verwijzing naar de producties B-140 tot en met B-149. In die producties ontbreekt echter een toelichting op de schoonmaakkosten. Dit beroep op verrekening moet worden verworpen, omdat het Waterschap onvoldoende heeft onderbouwd waarom Besix verplicht zou zijn deze schoonmaakkosten aan het Waterschap te vergoeden.
onder egenoemde verrekenpost van € 78.035,88 betreft dezelfde kwestie als de verrekenpost 5 die hiervoor onder ro. 4.272 e.v. is besproken. Bij verrekenpost 5 ging het om de schadevergoeding die het Waterschap aan [J] moest betalen vanwege de schade aan de stoomketels van [J] . Bij deze verrekenpost e gaat het om de inkomsten die het Waterschap heeft gederfd doordat het Waterschap tijdens de periode van 40 dagen waarin de stoomketels werden gerepareerd, geen biogas aan [J] heeft kunnen leveren. Besix voert als verweer dat deze verrekenpost in het tussenvonnis al door de rechtbank is beoordeeld en afgewezen (ro. I-5.251). Bovendien meent Besix dat het Waterschap deze verrekenpost niet met onderliggende stukken heeft onderbouwd.
onder fgenoemde verrekenpost van € 27.643,- en € 29.707,- betreft twee inhoudingen voor niet uitgevoerde werkzaamheden, en wel € 27.643,- voor het UO (Uitvoeringsontwerp, BP005) en € 29.707,- voor de infrastructuur (BP051). De werkzaamheden met betrekking tot deze activiteiten zijn volgens het Waterschap niet of niet compleet uitgevoerd. Het Waterschap verwijst naar de producties B-148 en B-149.
onder ggenoemde verrekenpost van € 3.894,82 betreft de kosten van vervanging door het Waterschap van een Desotec filter (een actief koolfilter ten behoeve van geur). Het Waterschap verwijst naar de producties B-148 en B-149. Besix voert als verweer dat het hier gaat om een verbruiksproduct dat (ook volgens het Werkplan Testen en Keuren) voor rekening van het Waterschap komt. Het Waterschap heeft op de zitting van 20 juni 2023 niet op dit verweer gereageerd, maar volstaan met verwijzing naar de producties. Deze verrekenpost moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
onder agenoemde boetes vanwege het niet behalen van de effluentkwaliteit (discussiepunt VI) verwijst de rechtbank naar ro. 4.264 en 4.265, waarin het beroep op verrekening met € 440.000,‑ in verband met de stikstofnorm, en met € 245.000,‑ in verband met de fosfaatnorm is afgewezen. Datzelfde lot treft het hier opgevoerde hogere bedrag van € 310.000,‑ in verband met de fosfaatnorm.
onder bgenoemde boetes vanwege de vertraging bij de acceptatie van het Definitief Ontwerp. In het vonnis van 3 augustus 2022 is beslist dat de door het Waterschap gevolgde tussenweg moet worden aangemerkt als acceptatie van het DO (ro. I-5.227), zodat de opgevoerde boete niet is verschuldigd.
onder cgenoemde boetes vanwege de vertraging in de oplevering van het Werk (discussiepunt VII) verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft overwogen in ro. 4.267. Hier is de verrekenpost hoger. Daarvoor is met name van belang dat de rechtbank deze boetes heeft gemaximeerd op € 3.650.000,‑.
onder dgenoemde kosten betreffen de door het Waterschap aan derden uitbestede werkzaamheden in verband met de restpuntenlijst (discussiepunt VIII). De rechtbank heeft die vordering in het tussenvonnis van 3 augustus 2022 afgewezen (ro. I5.243). In dit vonnis is het verzoek van het Waterschap afgewezen om op die bindende eindbeslissing terug te komen (ro. 4.202). Dit beroep op verrekening moet daarom worden afgewezen.
onder egenoemde gederfde inkomsten, geleden schade en kosten betreffen de schade in verband met vertraging van het biogas (discussiepunt IX). In het tussenvonnis van 3 augustus 2022 is al beslist dat de vorderingen van het Waterschap in verband daarmee niet toewijsbaar zijn, waaronder de vordering te verklaren voor recht dat het Waterschap gerechtigd is tot verrekening van deze schade (ro. I-5.251).
onder fgenoemde overige schadevorderingen betreffen discussiepunt X. Het Waterschap heeft het beroep op verrekening met deze schadevorderingen in zijn akte van 26 oktober 2022 herhaald en nader toegelicht. Deze verrekenpost zal de rechtbank daarom hierna bespreken bij de verrekenposten uit die akte.
onder 1genoemde verrekenpost in verband met de te late oplevering heeft de rechtbank al besproken in ro. 4.267 en 4.291.
onder 2genoemde verrekenpost betreft de legionellaproblematiek (discussiepunt IV). In productie W-231 heeft het Waterschap in verband daarmee de volgende kosten opgevoerd:
onder 3genoemde verrekenpost betreft de kosten van door het Waterschap genomen (beheers)maatregelen en andere schade in het kader van de geurproblematiek (discussiepunt II).
onder 4genoemde verrekenpost van € 4.375.038,80 betreft de overige schade en kosten van discussiepunt X. Deze verrekenpost betreft:
vorderingen I en XIIvan Besix worden toegewezen in die zin dat de vorderingen van en tegen Besix SA worden afgewezen, voor zover die vorderingen zijn gebaseerd op de grondslag dat Besix SA nog steeds contractspartij is. De primaire
vordering 3van het Waterschap moet worden afgewezen (ro. I-5.19).
vordering 4gevraagde verklaring voor recht wordt in die zin toegewezen (ro. 4.53). Aan een beoordeling van de meer subsidiaire
vorderingen 5, 6 en 7wordt niet toegekomen (ro. 4.54).
Vordering IVvan Besix tot gedeeltelijke ontbinding van de basisovereenkomst moet worden afgewezen (ro. I-5.271).
Vordering 9van het Waterschap is toewijsbaar, en de
vorderingen V en VIvan Besix moeten worden afgewezen voor wat betreft EssDe® (ro. I5.40).
vordering 8van het Waterschap over de tekortkoming van Besix - omdat EssDe® niet functioneert - zal worden toegewezen (ro. I5.66). De met vordering 8 gevraagde verklaring voor recht dat het Waterschap in verband met die tekortkoming recht heeft op schadevergoeding, nader op te maken bij staat, zal eveneens worden toegewezen (ro. 4.78). Vordering 8 heeft een overlap met vordering 38 (discussiepunt X) waar het betreft de schadeposten ‘extra projectkosten’, ‘extra afzetkosten extern slib’ en ‘kosten voor verhoogd chemicaliënverbruik’ (ro. 4.77 en 4.221)
vordering 10tot nakoming van de basisovereenkomst (ro. 4.67).
Vorderingen 1 en 2van het Waterschap zijn daarom tot dat bedrag toewijsbaar (ro. I-5.60). Over deze dwangsommen is Besix wettelijke rente verschuldigd met ingang van de dag waarop deze dwangsommen (vanaf 16 november 2020 gedurende negen dagen) zijn verbeurd (ro. 4.80).
primaire deel van vordering VIIIvan Besix moet worden afgewezen, en
vordering 11van het Waterschap kan worden toegewezen (ro. I-5.132).
Vorderingen V en VIvan Besix zijn niet toewijsbaar voor zover deze zien op een verplichting voor het Waterschap om aan Besix VTW 138 op te dragen om de geurproblematiek op te lossen (ro. I-5.141). De rechtbank begrijpt dat de
vorderingen V en VI, evenals het
subsidiaire deel van vordering VIIIvan Besix, ook een beroep omvatten op onvoorziene omstandigheden (een feitelijke geuremissie van het externe slib die veel hoger bleek dan de gegevens uit het STOWA-rapport 2004-09) (ro. I-5.133). Een beslissing daarover zal de rechtbank aanhouden tot na het deskundigenbericht (ro. I-5.141).
schadeonderdeel van vordering VIIIvan Besix, en op de
schadevorderingen 12 t/m 15van het Waterschap zal de rechtbank aanhouden tot na het deskundigenbericht. Het Waterschap mag zich in de conclusie na deskundigenbericht uitlaten over de schadeposten (ro. 4.103 en 4.106).
Vorderingen V, VI en VIIvan Besix moeten - voor zover het gaat om Ninert - worden afgewezen (ro. 4.119 en 4.120). De rechtbank komt voor wat betreft vordering VII hiermee terug op haar eerdere beslissing om deze deels toe te wijzen (ro. I-5.174).
Vordering 16van het Waterschap is voor wat betreft N-inert toewijsbaar (ro. I5.175).
Vorderingen 17 en 18van het Waterschap zullen voor wat betreft Ninert worden afgewezen (ro. I5.176 en 5.177).
Vorderingen V, VI en VIIvan Besix en
vordering 16van het Waterschap worden - voor zover het gaat om BZV/CZV - afwezen (ro. 4.130 en 4.131).
Vorderingen 17 en 18van het Waterschap zijn voor wat betreft BZV/CZV in beginsel toewijsbaar. Het Waterschap zal gelegenheid krijgen zich uit te laten over de schade (ro. 4.132).
Vorderingen V, VI en VIIvan Besix en
vordering 16van het Waterschap worden - voor zover het gaat om OB/P-tot - afgewezen (ro. I-5.183.1 en 5.183.2).
Vorderingen 17 en 18van het Waterschap zijn voor wat betreft OB/P-tot in beginsel toewijsbaar. Het Waterschap zal gelegenheid krijgen zich uit te laten over de schade (ro. I-5.183.3 en ro. 4.135).
vordering IXvan Besix moet worden afgewezen (ro. I5.87). De rechtbank komt daar deels op terug. Toewijsbaar is de gevraagde verklaring voor recht dat de legionellaproblematiek een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in § 44 UAV-GC 2005. Voor het overige zal
vordering IXvan Besix worden afgewezen (ro. 4.145).
Vorderingen V en VIvan Besix moeten voor wat betreft de legionellaproblematiek worden afgewezen (ro. I5.91)
vordering 19van het Waterschap toewijsbaar is (ro. I5.87). De rechtbank komt niet terug op deze beslissing (ro. 4.146). De
vorderingen 20 en 21van het Waterschap zullen worden toegewezen voor wat betreft de schade van het Waterschap die verband houdt met het aanbrengen van een drielaags ballenafdekking in verband met de legionellaproblematiek (ro. 4.181) Het Waterschap mag zich er nog over uitlaten of hij in dit verband aanspraak maakt op vergoeding van andere schade (op te maken bij staat) dan de (reeds verrekende) aanschafkosten van € 33.520,- (ro. 4.181).
Vordering 22van het Waterschap zal worden afgewezen (ro. 4.181).
vordering 23van het Waterschap is toewijsbaar omdat de weegtrechters niet voldoen aan EisID S.3. Het tweede deel van
vordering 23en ook de
vorderingen 23a en 24van het Waterschap moeten worden afgewezen (ro. 4.190).
vorderingen 25, 26 en 27van het Waterschap moeten worden afgewezen, kort gezegd omdat het Waterschap niet heeft onderbouwd waarop het baseert dat Besix gehouden is tijdens de bouwfase de vergunde norm voor effluentkwaliteit (stikstof- en fosfaatgehalte) onverminderd na te leven (ro. I-5.217 en 5.220).
Vordering 28van het Waterschap moet worden afgewezen omdat het Waterschap het Definitief Ontwerp heeft geaccepteerd in de zin van artikel 16.1(a) basisovereenkomst (ro. I-5.227). Ook het daarop betrekking hebbende deel van
vorderingen 30 en 31van het Waterschap zal worden afgewezen (ro. I-5.227).
Vorderingen 29 en 30van het Waterschap zullen worden toegewezen in zoverre dat Besix wegens overschrijden van de contractuele opleverdatum op grond van artikel 16.1 (b) basisovereenkomst zal worden veroordeeld tot betaling van een boete die is gemaximeerd op een bedrag van € 3.650.000,-, overeenkomend met een overschrijding van twee jaar (ro. I-5.236 en 5.238).
Vordering 31van het Waterschap (verzoek om een voorschot) zal worden afgewezen, omdat bij vordering 30 al een definitief bedrag wordt toegewezen.
vorderingen 32, 33(a) en 34van het Waterschap, die zien op 37 restpunten, af te wijzen (ro. 4.202).
vorderingen 32, 33(b) en 34van het Waterschap, die zien op 18 nieuwe restpunten, zullen ook worden afgewezen omdat een ingebrekestelling ontbreekt (ro. 4.210).
Vorderingen 35 en 36van het Waterschap moeten worden afgewezen, omdat het Waterschap die vorderingen ten onrechte baseert op fatale termijnen uit de aanbiedingsplanning (ro. I-5.251).
Vordering 38van het Waterschap zal worden toegewezen in die zin dat Besix zal worden veroordeeld om aan het Waterschap te vergoeden alle schade die hij lijdt wegens de te late oplevering van het Werk (voor zover die schade uitstijgt boven de toe te kennen boete van € 3.650.000,-) en wegens het niet functioneren van EssDe®, vermeerderd met wettelijke rente en op te maken bij staat (ro. 4.221). Die schade bestaat volgens het Waterschap uit de posten ‘extra projectkosten’, ‘extra afzetkosten extern slib’ en ‘kosten voor verhoogd chemicaliënverbruik’.
Vordering 37van het Waterschap zal worden afgewezen (ro. 4.219). Het Waterschap heeft zijn
vordering 39op de zitting van 20 juni 2023 ingetrokken.
vordering Xvan Besix kan niet worden toegewezen een bedrag van € 1.610.804,- ter zake van de bouwtermijnen 57a, b en e (ro. 4.233) en een bedrag van € 180.655,- ter zake van bouwtermijn 54 (ro. 4.234 en 4.271).
vorderingen X en XIvan Besix door het Waterschap gedane beroep op verrekening is terecht voor wat betreft de posten genoemd onder ro. 4.313. De beslissing over het beroep op verrekening met de kosten van de door het Waterschap genomen beheersmaatregelen in het kader van de geurproblematiek wordt aangehouden tot na het deskundigenbericht over die geurproblematiek (ro. 4.314). Het beroep van het Waterschap op verrekening wordt voor het overige afgewezen (ro. 4.315).
vorderingen X en XIvan Besix (ro. 4.317).
Vordering 40van het Waterschap zal voor wat betreft de beslagkosten worden toegewezen in die zin dat Besix Environment en Besix SA hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 7.437,42, en dat zij daarnaast afzonderlijk zullen worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 11.238,96 en € 11.313,62, alle drie bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 april 2022 (ro. 4.324 en 4.325).
- vordering 10 van het Waterschap: in hoeverre houdt het Waterschap vast aan de eis van energieneutraliteit (gegeven de beslissing van de rechtbank dat DB 2.0 niet aan die eis voldoet) en wat betekent dit voor zijn vordering 10 (ro. 4.67);
- vorderingen II en III van Besix: wat betekent het voor deze vorderingen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat er geen reëel alternatief is voor DB 2.0, en dat DB 2.0 ook niet aan de wezenlijke eisen van de Vraagspecificatie voldoet (ro. 4.83);
- vordering III van Besix: opgave door Besix van de kosten die zijn gemaakt voor het opstellen van de tweede en derde versie van VTW 148 (ro. 4.89);
- vordering 18 van het Waterschap: uitsplitsing en onderbouwing van onderzoekskosten in verband met BZV/CZV (ro. 4.132) en OB en P-tot (ro. I-5.183.3 en ro. 4.135);
- vordering 21 van het Waterschap: maakt het Waterschap aanspraak op vergoeding van andere schade (op te maken bij staat) die verband houdt met de drielaags ballenafdekking dan de (reeds verrekende) kosten van € 33.520,- (ro. 4.181);
- beroep op verrekening: bewijs van betaling van € 91.426,02 door het Waterschap aan [J] wegens schade aan de stoomketels (ro. 4.277);
- beroep op verrekening: bewijs van betaling van € 33.250,- door het Waterschap voor de drielaags ballenafdekking (ro. 4.299).