Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV is toegekend voor de periode van 2 januari 2023 tot en met 1 april 2023. Het UWV heeft het bezwaar van eiser tegen deze beperkte duur van de uitkering afgewezen, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betreft de toepassing van de vier-uit-vijf-eis, waarbij eiser niet voldoet omdat hij in 2018 en 2019 in de Verenigde Staten heeft gewerkt, wat buiten de territoriale werkingssfeer van de EU-verordeningen valt. Eiser verzocht om coulance op grond van het evenredigheidsbeginsel, stellende dat zijn lange arbeidsverleden en maatschappelijke bijdrage een langere uitkering rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de feiten en toepasselijke wetgeving niet worden betwist, en dat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bij een wettelijke regeling als de WW niet mogelijk is, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De rechtbank oordeelt dat dergelijke bijzondere omstandigheden niet zijn aangetoond. De wetgever heeft bewust gekozen om buitenlandse dienstbetrekkingen buiten de WW-bescherming te laten, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard, blijft de uitkeringstermijn ongewijzigd en krijgt eiser geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter G. de Jong op 28 februari 2024.