Eiser, eigenaar van een pluimveebedrijf, vordert een tegemoetkoming in planschade wegens de vaststelling van het bestemmingsplan 'Vogelasiel Someren' dat een vogelasiel nabij zijn bedrijf legaliseert en uitbreidt. Dit bestemmingsplan zou leiden tot het stoppen van levering van kuikens door opfokorganisaties, wat de exploitatie van het pluimveebedrijf schaadt.
Het college wees de aanvraag af omdat het verband tussen de schade en het bestemmingsplan niet rechtstreeks zou zijn, aangezien de opzegging van leveringscontracten privaatrechtelijke beslissingen zijn en er geen wetenschappelijk bewijs is dat het vogelasiel daadwerkelijk een besmettingsrisico vormt. De rechtbank heeft getuigen gehoord van opfokorganisaties die bevestigen dat de aanwezigheid van het vogelasiel een rol speelt bij hun selectie, maar dat ook andere factoren meespelen.
De rechtbank oordeelt dat er een causaal verband bestaat tussen het bestemmingsplan en de schade, maar dat de schade niet volledig aan de overheid kan worden toegerekend vanwege de ondernemersvrijheid van de opfokorganisaties en de niet-objectieve selectiecriteria. Daarom past de rechtbank een redelijke toerekening toe en beveelt het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast constateert de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn met 11 maanden en kent eiser een schadevergoeding van €1.000 toe. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Verhoeven op 4 maart 2024.