Eiseres, een migrerende werknemer en student aan de Technische Universiteit Eindhoven, maakte bezwaar tegen de hoogte van haar aanvullende studiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). De minister had de beurs vastgesteld op een laag bedrag, waarbij rekening werd gehouden met een veronderstelde ouderlijke bijdrage.
Eiseres stelde dat deze bijdrage ten onrechte niet werd verdeeld over haar en haar broer, die in Duitsland studeert, waardoor zij als migrerende werknemer onterecht werd benadeeld ten opzichte van Nederlandse studenten. De rechtbank oordeelde dat de wet alleen voorziet in verdeling van de ouderlijke bijdrage over studerende kinderen die aanspraak maken op studiefinanciering en een aanvullende beurs op grond van de WSF 2000, wat bij de broer niet het geval is.
De rechtbank verwierp het indirecte discriminatieverweer van eiseres, omdat ook bij Nederlandse nationaliteit van de broer de uitkomst niet anders zou zijn geweest. Tevens zijn aanvullende voorwaarden voor studiefinanciering buiten Nederland in overeenstemming met het Unierecht. Politieke keuzes over het systeem zijn aan de wetgever, en de rechter ziet geen strijd met hoger recht.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen hogere aanvullende beurs krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.