Uitspraak
18.5543 WSF
OVERWEGINGEN
De juiste toepassing van het Unierecht is in dit geval zo evident, dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de beantwoording van de rechtsvragen die in geschil zijn.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in Nederland maar vanaf 13-jarige leeftijd woonachtig in Turkije, vroeg studiefinanciering aan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) voor een opleiding aan een Nederlandse universiteit. De minister wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het 3-uit-6-vereiste, dat vereist dat een student ten minste drie van de zes jaren voorafgaand aan inschrijving in Nederland heeft gewoond.
Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat het onderscheid dat de minister maakt tussen studenten die gebruik hebben gemaakt van het EU-recht op vrij verkeer en degenen die dat niet hebben gedaan, onverenigbaar is met het Unierecht. Hij verwees naar arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en vroeg om prejudiciële vragen. De minister handhaafde het besluit en de rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant niet voldeed aan het 3-uit-6-vereiste en geen gebruik had gemaakt van het door de artikelen 20 en 21 van het VWEU gewaarborgde recht op vrij verkeer binnen de EU. De Raad oordeelde dat het onderscheid van de minister gerechtvaardigd is om de groep studenten met een actuele band met Nederland te beperken. De Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en verwierp het beroep op de hardheidsclausule.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de studiefinanciering bevestigd.