Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Samenvatting
Procesverloop
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser ontvangt sinds 2016 een WIA-uitkering en is in januari 2023 opnieuw herbeoordeeld door het UWV, dat de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde op 61,83%. Na bezwaar wijzigde het UWV dit in 63,03%, maar eiser betwistte deze vaststelling en startte een beroepsprocedure.
De rechtbank beoordeelde de juistheid van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid. Het UWV baseerde zich op medische rapportages en een functionele mogelijkhedenlijst waarin beperkingen door hartklachten, rugklachten en artrose aan de rechterhand waren opgenomen. De artsen hielden ook rekening met de psychosociale situatie van eiser, maar concludeerden dat de psychische klachten niet leidden tot beperkingen in functioneren.
Eiser stelde dat zijn beperkingen werden onderschat, met name zijn cardiale, rug- en cognitieve klachten. De rechtbank vond echter dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de medische rapportages consistent waren en dat eiser onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om de vaststelling te betwisten.
De arbeidsdeskundige van het UWV had op basis van de medische beperkingen passende functies vastgesteld, wat leidde tot het arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,03%. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de vaststelling van het UWV blijft staan.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van 63,03% juist heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.