Eiser is eigenaar van een perceel met bedrijfsgebouwen waar kamergewijze verhuur plaatsvindt, wat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college legde een last onder dwangsom op om deze overtreding te beëindigen. Eiser betwistte dit en voerde onder meer aan dat sprake is van één huishouden en dat het college in vergelijkbare gevallen niet handhaaft.
De rechtbank stelde vast dat de verhuurde kamers zich bevinden op een deel van het perceel zonder de bestemming 'bedrijfswoning', waardoor wonen daar niet is toegestaan en er sprake is van een overtreding. Het college is bevoegd om handhavend op te treden. Wel oordeelde de rechtbank dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in het geval van eiser sneller handhaaft dan bij vergelijkbare situaties, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de begunstigingstermijn betreft, die wordt verlengd tot 1 januari 2026. Het college moet het griffierecht en proceskosten van eiser vergoeden. De overtreding moet nog steeds worden beëindigd, maar eiser krijgt meer tijd om daaraan te voldoen.