ECLI:NL:RBOBR:2025:4486

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
11286707 \ EJ VERZ 24-504
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens diefstal door werknemer in retailsector

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 3 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker], een werknemer, en zijn werkgever, Arti-Shock Design B.V. De zaak betreft een ontslag op staande voet dat door de werkgever is gegeven wegens diefstal. De werkgever, Arti-Shock, stelde dat [verzoeker] op 28 juni 2024 geld uit de kassa in zijn broekzak had gestopt. Tijdens de procedure zijn getuigen gehoord, waaronder medewerkers van Arti-Shock, die bevestigden dat zij [verzoeker] op dat moment in de winkel hadden gezien. De kantonrechter oordeelde dat het bewijs van de diefstal was geleverd en dat de werkgever terecht had gehandeld door het ontslag op staande voet te geven. De kantonrechter concludeerde dat de gedragingen van [verzoeker] een dringende reden opleverden voor het ontslag, en dat het ontslag niet in strijd was met de wet. [verzoeker] had ook een transitievergoeding en achterstallig loon gevorderd, maar deze vorderingen werden afgewezen omdat het ontslag terecht was gegeven. De kantonrechter legde de proceskosten op aan [verzoeker] omdat hij ongelijk had gekregen in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11286707 \ EJ VERZ 24-504
Beschikking van 3 juli 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. S.E. Johansen,
tegen
ARTI-SHOCK DESIGN B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
verwerende partij,
hierna te noemen: Arti-Shock,
gemachtigde: mr. J.J.E. van der Wallen,

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 4 december 2024 en de daarin genoemde stukken;
- het getuigenverhoor van 16 april 2025 en het proces-verbaal van dat getuigenverhoor;
- de conclusie na getuigenverhoor van Arti-Shock;
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [verzoeker] .
1.2.
Daarna is een uitspraakdatum voor een beschikking bepaald.

2.De verdere beoordeling

De bewijsopdracht; is Arti-Shock geslaagd in het leveren van het bewijs?
2.1.
Arti-Shock is in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat [verzoeker] op 28 juni 2024 geld afkomstig uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt in het keukentje van de winkel. In dit verband heeft Arti-Shock drie getuigen laten horen;
  • [A] (hierna: [A] ), verkoopmedewerker bij Arti-Shock;
  • [B] (hierna: [B] ), verkoopmedewerker bij Arti-Shock;
  • [C] (hierna: [C] ), bedrijfsleider bij en middellijk bestuurder van Arti-Shock.
2.2.
Bij conclusie na getuigenverhoor heeft Arti-Shock – samengevat – gesteld, onder verwijzing naar de afgelegde getuigenverklaringen, dat het bewijs is geleverd omdat [A] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [verzoeker] op 28 juni 2024 tijdens het tellen van de kassa geld in zijn broekzak heeft gestopt en dat [B] en [C] in lijn met de verklaring van [A] hebben verklaard dat [A] kort na het voorval daarover met hen heeft gesproken.
2.3.
Bij antwoordconclusie heeft [verzoeker] bestreden dat het bewijs is geleverd. Hij heeft daartoe – samengevat – gesteld dat de verklaringen van [B] en [C] niet als bewijs kunnen dienen omdat zij niet uit eigen waarneming kunnen verklaren over de gestelde diefstal; zij waren niet aanwezig in het keukentje. [verzoeker] bestrijdt de inhoud van de afgelegde verklaringen. Verder stelt [verzoeker] dat bij de beoordeling van de bewijskracht van de afgelegde verklaringen van belang is dat [A] en [B] in dienst zijn bij Arti-Shock en zodoende sprake is van een bepaalde afhankelijkheid tot hun werkgever en dat [C] als wettelijk vertegenwoordiger van Arti-Shock belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Gelet op de onderlinge verhoudingen tussen de getuigen kunnen de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Ook stelt [verzoeker] dat Arti-Shock de camerabeelden in het geding had moeten brengen en dat Arti-Shock door deze niet in te brengen de waarheidsvinding belemmert.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Arti-Shock het bewijs heeft geleverd. [A] heeft consistent verklaard dat zij heeft gezien dat [verzoeker] geld afkomstig uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt in het keukentje van de winkel. Zij verklaart daarover als volgt:
“U vraagt mij naar het stuk uit de verklaring waarin ik aangeef dat er geld in een broekzak
verdwijnt. Dat is de laatste alinea van mijn verklaring. U vraagt mij wie waar stond. [verzoeker]
stond rechts naast mij. Ik was in het keukentje om geld te tellen. De kassalade staat er los
van. De inhoud van de kassalade had ik meegenomen naar het keukentje. Het waren alleen
bankbiljetten voor zover ik mij kan herinneren. Deze liggen gesorteerd op waarde op stapels
van tien. In principe tellen we altijd stapeltjes van tien. Alle briefjes van 50 euro had ik
geteld. Op dat moment kwam [verzoeker] pas binnen. Hij zei “ik tel wel met je mee”. Ik zei “dat
is niet nodig, ik ben al bijna klaar”. Hij zei daarop “doe de deur maar even dicht”. Ik zei “dat is niet nodig, ik ben al bijna klaar”. Hij zei daarop “doe toch maar dicht”. Ik zei dat is niet nodig. Hij zei “doe maar dicht”. Ik deed een stap achteruit en schoof de deur dicht. De
keuken is heel klein, ik deed een stap naar voren. Toen zag ik dat [verzoeker] het rechter stapeltje bankbiljetten pakte en in zijn rechterbroekzak stopte.”
Verder heeft [A] verklaard dat de als productie 5 bij het verweerschrift overgelegde schriftelijke verklaring d.d. 2 juli 2024 van haar is en heeft zij de inhoud van die schriftelijke verklaring als getuige onder ede bevestigd. Beide verklaringen van [A] komen met elkaar overeen. Verder wordt hetgeen [A] heeft verklaard over wat zich na het incident heeft afgespeeld – de telefoongesprekken met [B] en [C] over wat [A] heeft gezien – bevestigd door [B] en [C] in de door hen afgelegde verklaringen. De kantonrechter ziet geen contra-indicaties om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [A] . De enkele omstandigheid dat zij als werknemer van Arti-Shock in een zekere afhankelijke positie zit ten opzichte van haar werknemer, is daarvoor als zodanig onvoldoende.
De insinuaties van [verzoeker] dat de verklaring van [A] in strijd met de waarheid is omdat [A] zelf geld heeft weggenomen of daarin een ander aandeel heeft gehad, blijken nergens uit. Het zijn bijzonder zware verdachtmakingen, waarvoor door [verzoeker] geen enkel aanknopingspunt is gegeven. Voor wat betreft de camerabeelden die niet in het geding zijn gebracht, geldt dat vaststaat dat er geen camera’s in het keukentje van de winkel hangen, zodat uit die beelden ook niet kan blijken wat zich heeft voorgedaan in het keukentje. Wat zich heeft voorgedaan in het keukentje is doorslaggevend in deze zaak en daarover heeft [A] consistent en ondubbelzinnig verklaard. De slotsom is dat het bewijs is geleverd en dat vast is komen te staan dat [verzoeker] op 28 juni 2024 geld afkomstig uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt in het keukentje van de winkel. Hetgeen Arti-Shock ten grondslag aan het bestaan van een dringende reden heeft gelegd, heeft zich dus voorgedaan.
Is sprake van een dringende reden?
2.5.
Vervolgens moet worden beoordeeld of wat zich heeft voorgedaan een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet (zie ook rov. 4.3 tot en met 4.5. van de beschikking van 4 december 2024). De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [verzoeker] een dringende reden opleveren en dat van Arti-Shock redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het wegnemen van geld uit de kassa is een grove schending van wat van een goed werknemer mag worden verwacht en ook in strijd met de wet. Voor een werkgever in de retailbranche zoals Arti-Shock waarin sprake is van een kwetsbare bedrijfsvoering voor wat betreft fraude en diefstal, mede gelet op de hoeveelheid contant geld die aanwezig is, is het uitermate belangrijk dat het eigen personeel juist handelt, integer en betrouwbaar is. Arti-Shock heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 3 juli 2024 dan ook om een dringende reden onverwijld (op staande voet) mogen opzeggen.
De vorderingen van [verzoeker]
2.6.
De door [verzoeker] gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen omdat het ontslag terecht is gegeven en Arti-Shock de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] dus niet in strijd met artikel 7:671 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft opgezegd. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging (de gefixeerde schadevergoeding) en billijke vergoeding worden om dezelfde reden afgewezen.
2.7.
[verzoeker] heeft betaling van een transitievergoeding van € 3.931,86 bruto gevorderd. Arti-Shock heeft bestreden dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. De transitievergoeding is niet verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (zie artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW). Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt echter niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (WWZ) blijkt dat voormelde uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (zie HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484 en HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203). Van deze uitzondering is in dit geval sprake omdat de ernstige verwijtbaarheid ligt besloten in de gedraging – het bewust wegnemen van geld uit de kassa – die tot het ontslag heeft geleid. [verzoeker] heeft ook niet (onderbouwd) gesteld waarom, als de kantonrechter zal oordelen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven vanwege een dringende reden, zijn handelen niet als ernstig verwijtbaar zou moeten worden aangemerkt. De vordering wordt daarom afgewezen.
2.8.
[verzoeker] heeft verder een bedrag van € 375,- bruto gevorderd aan achterstallig loon vermeerderd met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en wettelijke rente. Arti-Shock heeft die vordering betwist en gesteld dat zij het bedrag van € 375,- dat [verzoeker] heeft weggenomen uit de kassa heeft verrekend bij wijze van schadevergoeding met het loon. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Vaststaat dat [verzoeker] een retour heeft verwerkt in de kassa met betrekking tot de blouse met een verkoopprijs van € 375,- zonder dat hij de blouse retour heeft genomen, dat hij de retourbon heeft verscheurd, in zijn broekzak heeft gestopt en op een later moment weggegooid. Ook staat vast dat hij geld heeft weggenomen uit de kassa, hetgeen een dringende reden heeft opgeleverd, en dat er uiteindelijk geen kasverschil was. Gelet op de vaststaande feiten heeft Arti-Shock voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] genoemd bedrag heeft weggenomen, zodat Arti-Shock dat bedrag terecht heeft kunnen verrekenen met de eindafrekening en er geen grondslag bestaat voor toewijzing van de loonvordering.
De proceskosten en de gevorderde schadevergoeding (advocaatkosten)
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] omdat hij ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van Arti-Shock worden begroot op € 1.356,- (1,5 punt à € 814,- aan salaris gemachtigde en € 135,- aan nakosten). Voor het verweerschrift en het bijwonen van de zitting wordt samen één salarispunt toegekend en voor het bijwonen van het getuigenverhoor en de conclusie na getuigenverhoor wordt samen een half salarispunt toegekend. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
Gelet op de beoordeling van het ontslag en de proceskostenveroordeling bestaat er geen grond voor toewijzing van de door [verzoeker] gevorderde schadevergoeding die strekt tot vergoeding van de werkelijk gemaakte advocaatkosten. Van schending van goed werkgeverschap door Arti-Shock is geen sprake. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de verzoeken en vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.356,-;
3.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.4.
verklaart deze beschikking voor wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.