Op 7 januari 2025 stichtte verdachte brand in een hotelkamer van een opvangcentrum van het COA te Eindhoven. De brand ontstond op de derde verdieping, waar meerdere brandhaarden werden aangetroffen. Verdachte legde een bekennende verklaring af en gaf aan de brand te hebben gesticht in een poging tot zelfmoord.
De rechtbank oordeelde dat door de brand niet alleen gevaar voor goederen ontstond, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige asielzoekers. Dit werd onderbouwd met forensisch onderzoek en omstandigheden zoals het tijdstip van de brand en het barricaderen van de deur.
Hoewel verdachte bij aankomst in Nederland een hogere leeftijd had opgegeven, besloot de rechtbank het jeugdstrafrecht toe te passen vanwege zijn kwetsbare persoonlijkheid en omstandigheden. De rechtbank legde een jeugddetentie van 12 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en toezicht.
De rechtbank volgde hiermee deels de eis van de officier van justitie, maar legde een zwaardere straf op vanwege de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte werd vrijgesproken van het niet bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging.