ECLI:NL:RBOBR:2025:5017
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag
Verzoekster exploiteert een horeca- en afhaalbedrijf en kreeg op 30 juni 2025 van de burgemeester een besluit tot intrekking van haar exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag en het niet nakomen van financiële verplichtingen, wat volgens de burgemeester een gevaar voor de openbare orde vormt.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is, omdat verzoekster nog steeds haar slagerij kan exploiteren en etenswaren kan bezorgen, en zij haar stellingen over dreigend faillissement onvoldoende onderbouwde.
Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig, omdat de burgemeester het besluit zorgvuldig en gemotiveerd heeft genomen op basis van bestuurlijke rapportages en processen-verbaal. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is voorlopig van aard en bindt niet in een bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.