Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2025:5747

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
82/267588-23 Ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wegens overschrijding fosfaatrechten op bedrijf in 2020-2021

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte wegens overschrijding van fosfaatrechten in de jaren 2020 en 2021. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, wat leidde tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van €112.785,50.

Hoewel de officier van justitie aanvankelijk vorderde dat verdachte dit bedrag aan de Staat zou betalen, wijzigde zij haar vordering ter terechtzitting naar nihil. De rechtbank overwoog dat het opleggen van een ontnemingsmaatregel in abstracto passend is bij financieel voordeel uit strafbare feiten, maar dat in het concrete geval rechtvaardigheid en zinvolheid kritisch moeten worden beoordeeld.

De rechtbank constateerde dat verdachte al een bedrijf voerde bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en vanaf 2016 het opfokken van jongvee had uitbesteed, waarbij gebruik werd gemaakt van fosfaatrechten van een ander bedrijf. Na het beëindigen van die samenwerking in 2020 en de aankoop van een nieuwe locatie, ontbraken de financiële middelen om voldoende fosfaatrechten aan te schaffen. Reductie van de veestapel was geen optie vanwege bedreiging van het voortbestaan van het bedrijf.

Gezien deze omstandigheden, die weliswaar binnen de ondernemersrisico's vallen, achtte de rechtbank het billijk om de betalingsverplichting niet op het geschatte voordeel vast te stellen. Verdachte beschikte niet over de financiële draagkracht om de ontnemingsvordering te voldoen. De rechtbank stelde daarom de betalingsverplichting op nihil vast, terwijl het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €112.785,50.

De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en is gewezen door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant.

Uitkomst: De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €112.785,50 maar legde de betalingsverplichting op nihil vanwege billijkheid en het ontbreken van draagkracht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.267588.23 [ontneming]
Datum uitspraak: 17 september 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak:

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
4 september 2025. De vordering van de officier van justitie van 27 februari 2025 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 112.785,50 ter ontneming van het – op datzelfde bedrag vast te stellen – wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering in die zin gewijzigd dat zij heeft gevorderd om de betalingsverplichting vast te stellen op nihil.

De beoordeling van de vordering.


inleiding
Bij vonnis van de meervoudige economische kamer van 17 september 2025 heeft de rechtbank in de aan deze ontnemingsprocedure ten grondslag liggende strafzaak wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte zich in de jaren 2020 en 2021 aan overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet schuldig heeft gemaakt.

de bewijsmiddelen en het wederrechtelijk verkregen voordeel
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de beslissing worden opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis als tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de feiten waarvoor veroordeelde bij vonnis van 17 september 2025 in de strafzaak met parketnummer 82.267588.23 is veroordeeld, er toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De rechtbank schat dit voordeel op een bedrag van € 112.785,50.

de betalingsverplichting
Op grond van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de ontnemingsrechter de betalingsverplichting lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Deze bevoegdheid is niet beperkt tot specifieke gevallen. Ook op grond van andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van de veroordeelde, kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2022:67, NJ 2022/56).
De rechtbank overweegt daarbij dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel in abstracto passend is in het geval door het begaan van een strafbaar feit financieel voordeel is behaald. Dit laat onverlet dat de rechter telkens kritisch moet onderzoeken of het opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval niet alleen een doelmatige, maar ook een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijk reactie is (vgl. ECLI:NL:HR:2022:67, NJ 2022/56, conclusie mr. E.J. Hofstee, overweging 51).
Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 4 september 2025 stelt de rechtbank vast dat verdachte al een [verdachte] voerde op het moment dat het fosfaatrechtenstelsel werd ingevoerd. Om binnen de grenzen van dit stelsel te blijven heeft verdachte vanaf 2016 het opfokken van haar jongvee uitbesteed aan een opfokker, [bedrijf] [hierna: [bedrijf] ]. Daarbij werd gebruik gemaakt van de fosfaatrechten van [bedrijf] .
In 2020 werd verdachte plotseling geconfronteerd met de situatie dat zij niet langer gebruik kon maken van de fosfaatrechten van [bedrijf] . Daarop heeft verdachte de samenwerking met [bedrijf] verbroken en heeft zij een andere locatie aangekocht om haar jongvee onder te brengen. Door deze investering en door andere financiële verplichtingen die verdachte eerder was aangegaan, ontbraken de financiële middelen om voor de jaren 2020 en 2021 die fosfaatrechten aan te schaffen die voor de totale veestapel van verdachte nodig waren. Reductie van de veestapel was eveneens geen optie. Gelet op de financiële consequenties daarvan zou daardoor het voortbestaan van het bedrijf worden bedreigd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit weliswaar omstandigheden die in de risicosfeer van de veroordeelde als ondernemer liggen, maar zij geven niettemin aanleiding om op gronden van billijkheid de (strafrechtelijke) betalingsverplichting niet ter hoogte van het geschatte voordeel vast te stellen.
De rechtbank constateert verder dat verdachte tot 2020 en vanaf 2022 wel voldoende fosfaatrechten had voor het op haar bedrijf gehouden vee en dat verdachte niet over de financiële middelen beschikt om de ontnemingsvordering te kunnen voldoen. Enige draagkracht hiervoor ontbreekt.

de conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet rechtvaardig en zinvol is. De rechtbank zal de betalingsverplichting van veroordeelde daarom op nihil stellen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
 stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 112.785,50.

stelt de verplichting tot betalingaan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel
op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D. ten Boer, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. I. Tillema, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 17 september 2025.