In deze zaak is de zuster, lid van een congregatie, slachtoffer geworden van een verkeersongeval waarbij zij zwaar schedel-hersenletsel opliep. De verzekeraar van de tegenpartij heeft aansprakelijkheid erkend. De zuster en de congregatie vorderden schadevergoeding voor de vervanging van haar functies binnen de congregatie tijdens haar herstelperiode.
De rechtbank oordeelt dat de congregatie als civielrechtelijke rechtspersoon niet bevoegd is om schade te vorderen in de deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w Rv, omdat deze procedure uitsluitend openstaat voor de benadeelde zelf. De gevorderde schade betreft vermogensschade van de congregatie en niet van de zuster persoonlijk, waardoor de verzoeken van de congregatie niet ontvankelijk zijn.
Subsidiair wordt het verzoek van de zuster afgewezen omdat zij geen persoonlijke arbeidsvermogensschade heeft geleden; de vervangingskosten zijn door de congregatie gedragen. Daarnaast is er geen belang bij de vordering tot overige schadevergoeding, aangezien de verzekeraar aansprakelijkheid erkend heeft. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een onderscheid tussen kosten voor de congregatie en de zuster.
De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil aan de zijde van de zuster en veroordeelt de verzekeraar tot betaling daarvan. De beschikking is uitgesproken door rechter E.C. Zandman op 14 oktober 2025.