Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2025:6970

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
25/1734
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening Zuiveringsheffing Waterschap Aa en Maas 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte afgewezen wegens gebrek aan inhoudelijke gronden

De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen de bestreden uitspraak van de heffingsambtenaar inzake een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte over het belastingjaar 2024. De aanslag betrof een bedrag van € 322,25 en was gebaseerd op de vervuilingswaarde volgens de Verordening Zuiveringsheffing.

Eiseres voerde in haar bezwaar- en beroepschrift uitsluitend algemeen geformuleerde gronden aan die betrekking hadden op de WOZ-waarde van het object, terwijl de aanslag zuiveringsheffing niet op de WOZ-waarde is gebaseerd. De rechtbank stelde vast dat deze gronden geen enkel raakvlak hebben met de aanslag en geen inhoudelijke onderbouwing boden waarom de aanslag onjuist zou zijn.

De rechtbank overwoog dat de standaard aangevoerde gronden niet konden leiden tot wijziging van de aanslag en dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om inhoudelijke gronden aan te voeren, maar dit niet had gedaan. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn van twee jaar nog niet was verstreken.

De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en handhaafde de bestreden uitspraak. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 juli 2025 (de bestreden uitspraak).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het belastingjaar 2024 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte (aanslagnummer [nummer]) opgelegd voor een bedrag van € 322,25. Deze aanslag, met dagtekening 29 februari 2024, heeft betrekking op het object [adres] in [vestigingsplaats].
1.3.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025 (de bestreden uitspraak) de aanslag gehandhaafd.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken gestuurd.
1.5.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze zaak gaat over een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte voor het belastingjaar 2024. Uit het aanslagbiljet blijkt dat voor deze heffing de WOZ-waarde niet als heffingsmaatstaf wordt gebruikt. Als heffingsmaatstaf voor de zuiveringsheffing bedrijfsruimten wordt namelijk op grond van de Verordening [1] de vervuilingswaarde bepaald van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden. De hoogte van de zuiveringsheffing wordt berekend op grond van het aantal vervuilingseenheden maal het toepasselijke tarief zoals dat is vermeld in de Verordening.
3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres in het bezwaarschrift alleen gronden heeft opgenomen die zien op de vaststelling van de WOZ-waarde. Ook in het beroepschrift zijn uitsluitend WOZ-gerelateerde beroepsgronden opgenomen. Het beroepschrift kent de rechtbank ambtshalve als de bekende, algemeen geformuleerde beroepsgronden die de gemachtigde in elk beroepschrift aanvoert, ongeacht het object waarop de zaak betrekking heeft. Ook de aanvullende brief bevat eveneens de bekende algemene gronden die de gemachtigde standaard aanvoert.
4. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het aanslagbiljet enkel betrekking heeft op de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2024. De beroepsgronden hebben geen enkel raakvlak met deze zaak. Uit de beroepsgronden is geen inhoudelijke grond af te leiden waarom deze aanslag zuiveringsheffing onjuist zou zijn opgelegd.
5. De rechtbank overweegt dat de bezwaar- en beroepsgronden van eiseres zeer algemeen gericht zijn en mogelijk van doen hebben met de WOZ-waarde van het object [adres] in [vestigingsplaats]. Voor zover er al enige betekenis moet worden toegedicht aan deze zeer algemeen geformuleerde gronden die op geen enkele wijze zijn toegespitst op het object, ziet de rechtbank niet wat de relevantie is hiervan. In deze zaak gaat het niet om de waarde van het object maar om de aanslag zuiveringsheffing. Eiseres heeft niets over de zuiveringsheffing aangevoerd. Deze beroepsgronden kunnen daarom nimmer tot gevolg hebben dat de zuiveringsheffing zal wijzigen. Er is redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd niet kan leiden tot een andersluidende conclusie. De standaardzin die de gemachtigde in het bezwaarschrift heeft opgenomen te weten ‘dat het bezwaar uitdrukkelijk ook alle aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen betreft’, maakt dat niet anders. Dat is namelijk geen inhoudelijke grond waarom de aanslag zuiveringsheffing niet juist zou zijn.
6. Eiseres die zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde heeft in beroep de mogelijkheid gehad om inhoudelijke gronden aan te voeren tegen de bestreden uitspraak die zijn toegespitst op de aanslag zuiveringsheffing. De gemachtigde van eiseres volstaat echter met het standaard herhalen van gronden die hij in elke zaak aanvoert. In ieder geval heeft de gemachtigde van eiseres niet concreet aangevoerd waarom de opgelegde aanslag zuiveringsheffing niet juist is en niet tot een juist bedrag is opgelegd. De beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.
7. Dit betekent dat het beroep kennelijk ongegrond is.
8. Eiseres heeft in haar beroepschrift, zoals in elke zaak, verder standaard verzocht om toekenning van een schadevergoeding die samenhangt met een eventuele overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van dit belastinggeschil.
9. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres tot vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Hiervoor is van belang dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd [2] . Het bezwaarschrift van 12 maart 2024 is ontvangen door de heffingsambtenaar op 18 maart 2024. De rechtbank constateert dat de termijn van meer dan twee jaar op dit moment nog niet is verstreken. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding of een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 29 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening Zuiveringsheffing Waterschap Aa en Maas 2024 van 28 december 2023 (Waterschapsblad 2023, 16454).
2.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.