In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 29 oktober 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2024 behandeld. De heffingsambtenaar had aan eiseres een voorlopige aanslag opgelegd van € 322,25, welke betrekking had op een bedrijfsruimte in [vestigingsplaats]. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de heffingsambtenaar handhaafde de aanslag in zijn uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiseres uitsluitend algemeen geformuleerd zijn en geen inhoudelijke argumenten bevatten die relevant zijn voor de aanslag zuiveringsheffing. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden geen enkel raakvlak hebben met de opgelegde aanslag en dat eiseres niet heeft aangetoond waarom de aanslag onjuist zou zijn. De rechtbank wijst het beroep daarom kennelijk ongegrond en handhaaft de bestreden uitspraak. Tevens wordt het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase nog niet is verstreken. De rechtbank concludeert dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft.