ECLI:NL:RBOBR:2025:7419

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
25/2183
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een Woo-verzoek

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 30 augustus 2024. Eiseres verzoekt om informatie over de bedrijven [naam] en [naam]. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft het college bij brief van 4 augustus 2025 in gebreke gesteld en meer dan twee weken gewacht met het instellen van beroep. Dit maakt het beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank bepaalt dat de minister alsnog binnen twee weken na deze uitspraak een besluit moet nemen.

De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt het griffierecht vergoed, maar heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier, en is openbaar uitgesproken op 13 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ).
en

de minister van Economische Zaken, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 30 augustus 2024. Eiseres verzoekt om informatie over de bedrijven [naam] en [naam] .
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft het college bij brief van 4 augustus 2025 in gebreke gesteld en meer dan twee weken gewacht met het instellen van beroep. Dat betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 8.4., eerste lid, van de Woo waarin is bepaald dat in geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet, waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb de termijn bepaalt waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.
4.2.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak [2] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet de rechter een termijn stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De Afdeling hecht belang aan de zorgvuldigheid in de besluitvorming. De rechter mag geen nadere beslistermijn stellen waarvan op voorhand duidelijk is dat het bestuursorgaan deze niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. Ook als het bestuursorgaan eerder met de procedure voor het nemen van een besluit had kunnen beginnen, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat de rechter een kortere termijn stelt dan nodig is voor zorgvuldige besluitvorming.
4.3.
De minister heeft in zijn verweerschrift van 10 oktober 2025 toegelicht dat de reden die ten grondslag ligt aan het overschrijden van de beslistermijn is dat het verzoek betrekking heeft op een intensief interdepartementaal traject waardoor veel documenten onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Dit betekent dat de inventarisatie van de circa 800 documenten die informatie bevatten binnen de reikwijdte van het verzoek valt, veel tijd heeft gekost. Voor ondersteuning bij de behandeling van het verzoek is, in verband met beperkte capaciteit, een beroep gedaan op een externe partij. Verder deelt de minister mede dat hij verwacht uiterlijk op een 31 oktober 2025 een besluit te kunnen nemen.
4.4.
Gelet op het verweerschrift en de termijn waarbinnen de minister verwacht alsnog een besluit op het verzoek van eiseres bekend te kunnen maken, ziet de rechtbank geen aanleiding om een langere termijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minister binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek van eiseres bekend moet maken.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek van eiseres bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, en 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348.