In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 13 november 2025, in de zaak tussen een werkgever (eiser) en het UWV, wordt het beroep van de werkgever tegen de toekenning van een WIA-uitkering aan zijn ex-werkneemster beoordeeld. De ex-werkneemster had zich ziekgemeld wegens psychische klachten en het UWV had haar een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 48,42%. De werkgever betwistte de toekenning en stelde dat de medische beoordeling onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende inzicht heeft gegeven in de medische grondslag van het besluit. De verzekeringsartsen van het UWV hebben geen objectieve informatie verzameld en hebben niet adequaat gereageerd op de bezwaren van de werkgever. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, en draagt het UWV op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. De rechtbank kent de werkgever een vergoeding voor proceskosten toe van € 1.814,00 en bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,00 moet vergoeden.