ECLI:NL:RBOBR:2025:7424

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
25/791
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster en de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het UWV

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 13 november 2025, in de zaak tussen een werkgever (eiser) en het UWV, wordt het beroep van de werkgever tegen de toekenning van een WIA-uitkering aan zijn ex-werkneemster beoordeeld. De ex-werkneemster had zich ziekgemeld wegens psychische klachten en het UWV had haar een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 48,42%. De werkgever betwistte de toekenning en stelde dat de medische beoordeling onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende inzicht heeft gegeven in de medische grondslag van het besluit. De verzekeringsartsen van het UWV hebben geen objectieve informatie verzameld en hebben niet adequaat gereageerd op de bezwaren van de werkgever. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, en draagt het UWV op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. De rechtbank kent de werkgever een vergoeding voor proceskosten toe van € 1.814,00 en bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,00 moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [vestigingsplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats], (ex-)werkneemster.

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een WIA-uitkering aan haar ex-werkneemster. Eiser is van mening dat de grondslag voor het toekennen van een WIA-uitkering ontbreekt en dat de medische beoordeling onvoldoende is gemotiveerd. Het UWV vindt dat voldoende vaststaat dat bij de ex-werkneemster van eiser sprake is van spanningsklachten en dat deze diagnose beperkingen met zich brengt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Procesverloop

1.1
De ex-werkneemster van eiser heeft een aanvraag voor een WIA-uitkering (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) ingediend. Het UWV heeft vervolgens aan de ex- werkneemster per 5 mei 2024 een WIA-uitkering toegekend, omdat zij 48,42% arbeidsongeschikt is.
1.2
Eiser is het met dit besluit niet eens. Daarom is eiser tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij de toekenning van de WIA-uitkering gebleven.
1.3
Eiser is het hier nog steeds niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
In reactie op het beroepschrift heeft eiser een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen over en weer op elkaar gereageerd.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het UWV en de ex-werkneemster deelgenomen. De ex-werkneemster en de gemachtigde van het UWV hebben via Teams deelgenomen aan deze zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2.1
De rechtbank moet beoordelen of het UWV terecht een WIA-uitkering heeft toegekend aan de ex-werkneemster van eiser. De rechtbank doet dit aan de hand van wat eiser tegen dit besluit heeft aangevoerd (de beroepsgronden).
2.2
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Dat wil zeggen dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
3. De ex-werkneemster van eiser was 35,86 uur per week werkzaam bij eiser als analist. Op 9 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld wegens psychische klachten. Op 31 januari 2024 heeft de ex-werkneemster een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Met het besluit van 20 augustus 2024 is aan de ex-werkneemster een WIA-uitkering toegekend. Eiser is een zogenoemde eigenrisicodrager voor de WIA. Dit houdt in dat de WIA-uitkering van de ex-werkneemster voor rekening van eiser komt.
De standpunten
Het standpunt van eiser
4. Eiser is van mening dat de toekenning van de WIA-uitkering aan de (ex-) werkneemster gebaseerd is op onjuiste gronden. In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B het standpunt ingenomen dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, maar een arts-gemachtigde is volgens eiser nu eenmaal niet in de gelegenheid medische gegevens aan te leveren. De inzet van een arts-gemachtigde draait volgens hem om het toetsen van de primaire beoordeling. In bezwaar is gevraagd om een heroverweging, omdat niet begrepen wordt waarom er beperkingen worden aangenomen. De verzekeringsarts B&B reageerde in zijn rapportage dat als er geen reden zou zijn om beperkingen aan te nemen, de ex-werkneemster wel hersteld zou zijn verklaard. Maar daar gaat het volgens eiser nu juist om: de ex-werkneemster is mogelijk wel hersteld, maar dit wordt niet omgezet in het stoppen van haar arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. En elke volgende beoordeling van het UWV borduurt hierop voort.
Het standpunt van het UWV
5.1
In reactie op het beroepschrift heeft het UWV een verweerschrift ingediend. Het UWV heeft geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen. Eiser heeft zijn standpunt dat het UWV de beperkingen onjuist heeft vastgesteld niet onderbouwd met gegevens. Volgens het UWV hebben de gediagnosticeerde gezondheidsklachten geleid tot het aannemen van beperkingen. De uitingen van de ex- werkneemster zijn beoordeeld als passend bij die gezondheidsklachten.
5.2
Met het aanvullend verweerschrift van 26 augustus 2025 heeft het UWV een rapportage van de verzekeringsarts B&B ingebracht. In zijn rapportage schrijft de verzekeringsarts B&B dat door drie verschillende verzekeringsartsen, uitgaande van de diagnose spanningsklachten, (ongewijzigd) beperkingen zijn vastgesteld in de rubrieken 1 en 2 van de FML (Functionele Mogelijkhedenlijst). Dat een te objectiveren aandoening als oorzaak van de klachten en beperkingen ontbreekt, klopt dan ook niet volgens de verzekeringsarts B&B.
Het beoordelingskader
6.1
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) is in Nederland de hoogste rechter die oordeelt over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De CRvB heeft inmiddels al in veel zaken uitgesproken dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zij moeten namelijk op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de onderzoeksbevindingen. De rechtbank beoordeelt of de rapporten die in deze zaak zijn opgesteld, voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.
6.2
Het opvragen van medische informatie is geen verplichting voor een verzekeringsarts. Alleen wanneer sprake is van één van de volgende situaties, moet een verzekeringsarts meestal wel medische informatie opvragen:
Wanneer een behandeling is gestart, of zal starten, die een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden van een betrokkene;
als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen van de betrokkene.
6.3
Eiser betwist de mate van arbeidsongeschiktheid van zijn ex- werkneemster. Eiser, als werkgever, stelt dat de ex-werkneemster niet of minder arbeidsongeschikt is dan door het UWV wordt aangenomen. In zo’n geval brengt de aard van de betrokken belangen mee dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [1] Een werkgever heeft niet de mogelijkheid om medische informatie in te brengen. Een werkgever kan daarom niet veel anders dan proberen aan te geven dat het onderzoek van het UWV onvoldoende is geweest of dat de door het UWV gegeven motivering de beslissing niet kan dragen.
De overwegingen van de rechtbank
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7.1
Eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat het UWV onvoldoende inzicht heeft gegeven in de medische grondslag van het besluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.2
Uit de rapportages die de verzekeringsartsen van het UWV hebben opgesteld, blijkt dat zij niet de beschikking hebben gehad over informatie van de huisarts van de ex- werkneemster, of een andere behandelaar. Een lichamelijk onderzoek hebben de artsen niet verricht, omdat dit volgens hen geen toegevoegde waarde had. Het psychisch onderzoek bestond uit het observeren van de ex-werkneemster. Verder is dossieronderzoek verricht en is een anamnese afgenomen bij de ex-werkneemster.
7.3
De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapportage van 20 februari 2025 voor de medische grondslag van het besluit verwezen naar de stukken in het dossier (de stukken van het re-integratieverslag en de gegevens uit voorgaande beoordelingen). Ook is verwezen naar de ervaren belemmeringen van de ex-werkneemster. Vervolgens heeft de verzekeringsarts B&B de beperkingen als volgt onderbouwd: er is sprake van een consistent verhaal, er is sprake van logische samenhang tussen klachten en belemmeringen en de aard van de aandoening en er is geen sprake van duurzaam geen benutbare mogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts B&B liggen de beperkingen van de ex-werkneemster, gelet op de aanwezige informatie, de onderliggende aandoening en de huidige indruk bij het spreekuur, met name op het gebied van stress, veelvuldige onderbrekingen en emoties.
7.4
Uit voorgaande overwegingen blijkt dat de conclusies van de verzekeringsartsen vooral zijn gebaseerd op wat de ex-werkneemster heeft verteld, maar niet op objectieve informatie. De rechtbank licht dat verder toe. De verzekeringsartsen van het UWV hebben drie rapporten opgesteld over de ex-werkneemster: één rapport voor de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling, één rapport voor de beoordeling van het recht op WIA-uitkering en één rapport in de bezwaarprocedure. De rechtbank is van oordeel dat uit geen van deze drie rapporten blijkt op welke objectieve manier is vastgesteld dat de diagnose spanningsklacht nog steeds van toepassing is, terwijl deze rapporten wel zijn gebruikt om tot een beoordeling te komen. Zo heeft de bedrijfsarts van eiser, waar de verzekeringsartsen zich mede op baseren, geprobeerd informatie op te vragen bij de huisarts van de ex-werkneemster, maar was de huisarts niet bereid deze informatie te overleggen. De verzekeringsartsen hebben hierna niet meer geprobeerd informatie op te vragen bij de huisarts. En hoewel de verzekeringsartsen dit wellicht niet verplicht waren, had het naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst wel voor de hand gelegen. De rechtbank kan eiser volgen in zijn stelling dat het aannemelijk is dat de ex-werkneemster is uitgevallen met spanningsklachten, maar dat onvoldoende vaststaat dat zij twee jaar later onverminderd dezelfde beperkingen heeft uit die spanningsklachten. Dit geldt temeer omdat de bron van de spanningsklachten, het werk, is weggenomen.
7.5
Verder neemt de rechtbank bij haar oordeel over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek in aanmerking dat de ex-werkneemster geen behandeling heeft voor haar spanningsklachten. Uit wat de ex-werkneemster tijdens de diverse spreekuren heeft verteld, maakt de rechtbank op dat haar huisarts haar hormoonwaardes controleert en dat zij medicatie voor haar overgangsklachten krijgt voorgeschreven die de scherpe kantjes ervan af haalt. Ook blijkt uit het dossier dat de ex-werkneemster moeite heeft met het accepteren dat het niet meer gaat zoals voorheen, dat haar zelfvertrouwen weg is, omdat haar contract niet is verlengd en dat het steeds beter gaat door de afname van stress van het werk. De verzekeringsartsen van het UWV hebben niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja op welke manier deze informatie van invloed is op de vaststelling van de beperkingen. Belangrijk vindt de rechtbank hierbij dat bekend is dat het niveau van de normaalwaarden in de FML laag ligt. Dat wil zeggen dat de ex-werkneemster misschien ervaart dat zij minder kan dan voorheen, maar dat dat nog niet wil zeggen dat zij beperkingen heeft in de zin van de FML.
Tot slot is niet inzichtelijk gemaakt welke beperkingen zijn aangenomen voor de spanningsklachten en welke beperkingen voor de klachten die de ex-werkneemster ervaart als gevolg van de menopauze.
7.6
Gelet op wat de rechtbank hiervoor, bij punt 6.3, heeft overwogen over de specifieke eisen die gesteld worden in het geval een werkgever de WIA-beoordeling betwist, oordeelt de rechtbank dat het onderzoek van de verzekeringsartsen niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, onderbouwing en inzichtelijkheid. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook het gegeven dat eiser dit heeft benoemd in zijn bezwaar- en beroepschrift, maar het UWV hierop niet (adequaat) is ingegaan. Het UWV heeft enkel gereageerd door te schrijven dat eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd met nieuwe gegevens, maar deze mogelijkheid heeft een werkgever dus niet.
7.7
De rechtbank begrijpt dat de ex-werkneemster klachten en beperkingen ervaart in haar functioneren. Zij had voorheen een stressvolle baan waarin zij veel ballen in de lucht moest houden en te maken had met targets. Zij heeft aangegeven dit voorheen wel te kunnen en dat dit haar sterke kant was, maar daartoe nu niet meer in staat is. De rechtbank is zich ervan bewust dat het niet makkelijk is voor de ex-werkneemster om dit te accepteren. Aan de andere kant moet de rechtbank zich, net als het UWV, houden aan het beoordelingskader. Dit houdt in dat niet (alleen) mag worden uitgegaan van hoe de ex-werkneemster haar klachten en beperkingen ervaart (subjectief). Om beperkingen te kunnen vaststellen, moet het UWV uitgaan van objectieve gegevens hierover.
7.8
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de medisch inhoudelijke en arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

8.1
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Het bestreden besluit kan om die reden niet in stand blijven. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat het UWV het medisch onderzoek – en als gevolg daarvan mogelijk ook het arbeidskundig onderzoek – opnieuw moet doen. Het UWV moet daarom een nieuw besluit op het bezwaar van eiser nemen.
8.2
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor acht weken.
8.3
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht van eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt € 1.814,00, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,00 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:216.