ECLI:NL:RBOBR:2025:7559

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/01/414925 / HA ZA 25-280
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 6:119 BWArtikel 7.2 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing oproeping curator pro se en toelichting advocaatstelling na onttrekking

In deze civiele bodemzaak bij de Rechtbank Oost-Brabant vorderen de gedaagden op grond van artikel 118 Rv Pro de curator pro se op te roepen. De curator, handelend voor zichzelf en niet in hoedanigheid van curator, verzet zich tegen deze vordering. De rechtbank overweegt dat artikel 118 Rv Pro wel regels geeft voor oproeping van derden, maar niet in welke gevallen dit mogelijk is. Er moet sprake zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, wat hier niet is gesteld of gebleken.

De jurisprudentie laat een ruimere toepassing van artikel 118 Rv Pro toe bij samenhangende vorderingen en proceseconomie, maar ook dit is niet onderbouwd door de gedaagden. Zij willen de proceskosten op de curator pro se verhalen, maar dit betreft een andere juridische maatstaf dan de bestuurdersaansprakelijkheid in de hoofdzaak. De rechtbank wijst de vordering daarom af en veroordeelt de gedaagden in de proceskosten.

Daarnaast behandelt de rechtbank een incident over de advocaatstelling na onttrekking. De curator stelt dat na onttrekking en hernieuwde advocaatstelling door dezelfde advocaat geen sprake is van een nieuwe advocaatstelling zoals vereist in artikel 7.2 van het Landelijk procesreglement. De rechtbank oordeelt dat het erom gaat dat een advocaat wordt gesteld, niet dat dit een andere advocaat moet zijn. De gedaagden krijgen daarom alsnog de gelegenheid om te reageren in de hoofdzaak.

De proceskosten worden begroot op €792,00 en de wettelijke rente wordt toegewezen bij niet tijdige betaling. De zaak wordt op 31 december 2025 op de rol gezet voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De vordering tot oproeping van de curator pro se wordt afgewezen en de gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/414925 / HA ZA 25-280
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiser] Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[gefailleerde] B.V.,
te [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. R.T.C.A. Van Zutphen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. A. Kara.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • een beslagexploot waaruit blijkt dat beslag is gelegd op een onroerende zaak, overgelegd door de curator,
  • beslagstukken, overgelegd door de curator,
  • de incidentele conclusie, van [gedaagden] ,
  • de conclusie van antwoord in het incident, van de curator.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.

2.De beoordeling

in het incident
2.1.
De curator is curator in het faillissement van [gefailleerde] B.V. (gefailleerde). [gedaagde 1] was middellijk bestuurder van gefailleerde. [gedaagde 2] is gehuwd met [gedaagde 1] . De hoofdzaak gaat, onder meer, over de vraag of [gedaagde 1] als (voormalig) middellijk bestuurder en [gedaagde 2] als diens echtgenote, aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort.
2.2.
In het incident vorderen [gedaagden] op grond van artikel 118 Rv Pro de curator pro se (dus niet in diens hoedanigheid van curator, maar handelend voor zichzelf) op te roepen. Volgens de curator moet de vordering worden afgewezen.
2.3.
De rechtbank wijst de vordering af op grond van het volgende.
2.4.
Artikel 118 Rv Pro geeft regels voor de oproeping van derden als partij in het geding, maar schrijft niet voor in welke gevallen die oproeping mogelijk is. Het gaat in de regel om zaken waarin sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat is in dit geval niet aan de orde: het niet gesteld, noch gebleken dat hier sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
2.5.
Uit de jurisprudentie volgt verder dat de regeling van artikel 118 Rv Pro een ruimere strekking heeft gekregen, oproeping is bijvoorbeeld ook mogelijk in het geval sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met de behandeling van de vorderingen in één procedure (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR: 2020:485 en HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810). Ook dit is, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet aan de orde. [gedaagden] hebben niet gesteld, laat staan toegelicht, dat er sprake is van samenhangende vorderingen en dat de proceseconomie gediend is met de behandeling van de vorderingen in één procedure. Uit hun toelichting blijkt dat [gedaagden] beogen de proceskosten van deze procedure en mogelijk andere kosten te verhalen op de curator pro se. De vraag of de curator (pro se) aansprakelijk is, zal echter aan de hand van een andere maatstaf moeten worden beantwoord dan de vordering in de hoofdzaak (waar het gaat om bestuurdersaansprakelijkheid). Zeker omdat het gaat om een geheel andere kwestie had het voor de hand gelegen toe te lichten waarom het samenhangende vorderingen zijn en waarom de proceseconomie is gediend met de behandeling van de vorderingen in één procedure. Dat hebben [gedaagden] echter niet gedaan.
2.6.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.8.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in de hoofdzaak
2.9.
Anders dan de curator heeft verzocht, zal de rechtbank niet meteen vonnis wijzen in de hoofdzaak.
2.10.
De curator heeft aan zijn verzoek artikel 7.2 van het Procesreglement [1] ten grondslag gelegd. Volgens de curator moeten [gedaagden] geen (nieuwe) kans krijgen om een conclusie van antwoord te nemen, omdat hun advocaat zich op 1 oktober 2025 heeft onttrokken en op 15 oktober 2025 geen
nieuwe/
andereadvocaat heeft gesteld nu na de onttrekking dezelfde advocaat zich heeft gesteld. Daardoor is voldaan aan het bepaalde in artikel 7.2 van het Procesreglement, tweede gedachtestreepje, dat de situatie beschrijft als geen
andereadvocaat zich heeft gesteld, aldus de curator.
2.11.
De rechtbank ziet dit anders. De in artikel 7.2 van het Procesreglement beschreven voorwaarde van het stellen van een
nieuwe / andereadvocaat ziet naar het oordeel van de rechtbank niet per se op een andere advocaat dan degene die zich heeft onttrokken. Het gaat erom dat een partij alleen bij advocaat kan procederen en dat er daartoe dus een advocaat gesteld wordt. Daar is in dit geval aan voldaan.
2.12.
[gedaagden] worden zodoende in de gelegenheid gesteld bij conclusie van antwoord te reageren.

3.De beslissing

in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van
31 december 2025voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton.