Eiseres was sinds januari 2024 werkzaam als klantenservicemedewerker en ontving vanaf april 2024 een Ziektewet-uitkering wegens zwangerschaps- en bevallingsklachten. Na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst in oktober 2024 bleef zij ziekgemeld. Het UWV besloot op 21 maart 2025 haar ZW-uitkering per 24 maart 2025 te beëindigen, omdat zij volgens medisch onderzoek geschikt werd geacht haar eigen werk te hervatten. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd door de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar & beroep. Beide artsen concludeerden dat eiseres ondanks haar klachten in staat is haar eigen werk te verrichten, mede door de mogelijkheid tot thuiswerken en flexibele werkhouding. De rechtbank acht de motivering van het UWV voldoende en wijst het beroep af.
De rechtbank benadrukt dat sociale factoren zoals de zorg voor jonge kinderen niet als ziekte of gebrek worden beschouwd en daarom niet meetellen bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter G. de Jong op 27 november 2025.