In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Oost-Brabant het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar Ziektewet (ZW)-uitkering per 24 maart 2025. Het UWV had op 21 maart 2025 besloten dat eiseres weer in staat was om haar eigen werk als klantenservicemedewerker te verrichten. Eiseres, die sinds januari 2024 werkzaam was, had zich in april 2024 ziek gemeld vanwege zwangerschapsklachten en ontving een ZW-uitkering. Na haar bevalling in mei 2024 meldde zij zich opnieuw ziek. Het UWV handhaafde zijn besluit na bezwaar, waarop eiseres beroep instelde. Tijdens de zitting op 26 september 2025 was eiseres niet aanwezig, maar de rechtbank concludeerde dat zij correct was uitgenodigd. De rechtbank oordeelde dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering had beëindigd, omdat eiseres per 24 maart 2025 weer geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank vond dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten van eiseres niet voldoende onderbouwd waren om haar ongeschiktheid voor werk aan te tonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de verzoeken om griffierecht en proceskostenvergoeding af.