ECLI:NL:RBOBR:2025:7754

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25/1067
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de beëindiging van een Ziektewet-uitkering door het UWV

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Oost-Brabant het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar Ziektewet (ZW)-uitkering per 24 maart 2025. Het UWV had op 21 maart 2025 besloten dat eiseres weer in staat was om haar eigen werk als klantenservicemedewerker te verrichten. Eiseres, die sinds januari 2024 werkzaam was, had zich in april 2024 ziek gemeld vanwege zwangerschapsklachten en ontving een ZW-uitkering. Na haar bevalling in mei 2024 meldde zij zich opnieuw ziek. Het UWV handhaafde zijn besluit na bezwaar, waarop eiseres beroep instelde. Tijdens de zitting op 26 september 2025 was eiseres niet aanwezig, maar de rechtbank concludeerde dat zij correct was uitgenodigd. De rechtbank oordeelde dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering had beëindigd, omdat eiseres per 24 maart 2025 weer geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank vond dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten van eiseres niet voldoende onderbouwd waren om haar ongeschiktheid voor werk aan te tonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de verzoeken om griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 24 maart 2025.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 21 maart 2025 besloten dat eiseres vanaf 24 maart 2025 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij vanaf die datum in staat wordt geacht om haar eigen werk te verrichten.
1.2.
Met het besluit van 1 mei 2025 (het bestreden besluit) is op het bezwaar van eiseres beslist, waarbij het UWV zijn besluit heeft gehandhaafd.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiseres is niet naar de zitting gekomen en heeft de rechtbank niet van tevoren laten weten dat zij niet zou komen. Daarom heeft de griffier onderzocht of de aangetekende brief, waarmee eiseres is uitgenodigd voor de zitting, eiseres heeft bereikt. Uit de Track & trace-gegevens blijkt dat de brief op 27 augustus 2025 is bezorgd op het adres van eiseres en dat er voor ontvangst is getekend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de uitnodiging voor de zitting eiseres heeft bereikt. Daarom heeft de rechtbank de zitting laten doorgaan.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Wat aan deze procedure vooraf ging

2. Eiseres was sinds januari 2024 werkzaam als medewerker klantenservice voor 40 uur per week. In april 2024 meldde zij zich ziek wegens zwangerschapsklachten. Om die reden kreeg zij vanaf 2 april 2024 een ZW-uitkering. Van 9 mei 2024 tot en met 18 augustus 2024 kreeg eiseres een WAZO-uitkering [1] . Eiseres is op 28 mei 2024 bevallen. Na afloop van de WAZO-uitkering heeft eiseres zich ziekgemeld per 19 augustus 2024 vanwege zwangerschaps- en bevallingklachten, hoofdpijn, vermoeidheid en bekken- en rugklachten. Het UWV heeft daarop aan eiseres per 19 augustus 2024 een ZW-uitkering toegekend. Op 23 oktober 2024 is de arbeidsovereenkomst van eiseres beëindigd
.Eiseres is vervolgens op 20 maart 2025 gezien door een verzekeringsarts. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals beschreven onder punt 1.

Standpunten van partijen

3. In het bestreden besluit stelt het UWV zich, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar & beroep (B&B) van 30 april 2025, op het standpunt dat eiseres per 24 maart 2025 (datum in geding) weer in staat is om haar eigen werk als klantenservicemedewerker te doen. Om die reden heeft eiseres met ingang van 24 maart 2025 niet langer recht op een ZW-uitkering.
4. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij stelt dat zij op medische gronden nog steeds niet in staat is om te werken. De conclusie van het UWV dat ze geschikt zou zijn voor haar laatst verrichte arbeid acht ze dan ook onjuist en onvolledig onderbouwd. Eiseres is van mening dat haar klachten en beperkingen onvoldoende zijn meegewogen.
5. Het UWV heeft hierop in beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarin stelt het UWV dat de gronden die eiseres aanvoert, grotendeels dezelfde gronden zijn als die van het bezwaar. Eiseres vermeldt in het beroepschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden. Het beroep van eiseres wordt niet onderbouwd door (nieuwe) medische gegevens. Dat de medische situatie van eiseres nog niet volledig is onderzocht, betekent niet dat ze niet in staat is om te werken. De primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts B&B concluderen dat eiseres ondanks haar klachten en de lopende onderzoeken in staat is om het eigen werk te doen. Daarom heeft zij per 24 maart 2025 geen recht meer op een ZW-uitkering. Het UWV ziet geen aanleiding om het standpunt te wijzigen en verwijst naar de overwegingen in het bestreden besluit.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiseres per 24 maart 2025 heeft beëindigd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordelingskader
8. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op een ZW-uitkering. Onder ‘zijn arbeid’ als bedoeld in artikel 19 van de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van eiseres als medewerker klantenservice.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
9. De rechtbank vindt dat het medisch onderzoek van het UWV in deze zaak voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang.
9.1.
De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en eiseres gezien op het spreekuur op 20 maart 2025, waarbij een anamnese is afgenomen, eiseres lichamelijk is onderzocht en een observerend psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De primaire verzekeringsarts heeft geen informatie opgevraagd bij de behandelend sector, omdat eiseres voldoende informatie kon verschaffen over de medische bevindingen en de behandeling. De primaire verzekeringsarts heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 21 maart 2025.
9.2.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B dossierstudie verricht en kennis genomen van het bezwaarschrift van eiseres, haar aanvullende bezwaargronden en de door eiseres overgelegde verwijsbrief van 25 april 2025 (een verwijzing naar de internist). De verzekeringsarts B&B heeft geen aanleiding gezien om eiseres op te roepen voor het spreekuur. De verzekeringsarts B&B heeft geen aanleiding gezien om informatie bij derden op te vragen. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 30 april 2025 de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling onderschreven.
9.3.
Gelet op de onderzoeksactiviteiten die door de verzekeringsartsen zijn verricht vindt de rechtbank dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
De medisch inhoudelijke beoordeling
10. Eiseres voert aan dat zij te maken heeft met ernstige gezondheidsklachten, waaronder extreme hoofdpijn, vermoeidheid en mentale overbelasting. Haar medische situatie is nog niet volledig onderzocht. Er lopen nog trajecten en onderzoeken in het ziekenhuis. Haar klachten spelen al ruim vijf jaar en ze loopt zichzelf hierin voortdurend voorbij. Ze heeft steeds geprobeerd om ondanks haar situatie door te gaan, maar dat is nu niet meer houdbaar. Eiseres verwijst naar de door haar in bezwaar overgelegde stukken (aanvullende bezwaargronden van 21 april 2025 en een verwijsbrief van 25 april 2025).
10.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat eiseres per 24 maart 2025 niet geschikt was voor haar eigen werk
.De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
10.2.
De verzekeringsarts B&B motiveert goed waarom eiseres geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Hij legt uit dat eiseres haar eigen werk eerder heeft kunnen verrichten met haar hoofdpijnklachten en dat zij zich niet genoodzaakt voelde zich hier ziek voor te melden doordat zij tussendoor kon liggen en rusten. Hetzelfde geldt volgens de verzekeringsarts B&B voor de vermoeidheidsklachten, want de setting van thuiswerken maakt dat er voldoende ruimte is om te recupereren tussen de taken door en op de manier die eiseres wenst. Daarmee wordt haar belastbaarheid niet overschreden door de belasting in het eigen werk. Verder legt de verzekeringsarts B&B uit dat de rugklachten ook geen aanleiding geven voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk. Dat werk is namelijk niet fysiek belastend, want er kan naar wens worden vertreden en gewisseld van houding en er hoeft niet zwaar getild of frequent gebogen te worden. Tenslotte merkt de verzekeringsarts B&B terecht op dat de mentale belasting die eiseres ervaart in de zorg voor haar twee jonge kinderen invoelbaar is, maar dat het niet gaat om ziekte of gebrek. Zorg voor huishouding, kinderen en andere privé-activiteiten kunnen volgens vaste rechtspraak niet bij de medische beoordeling worden betrokken, omdat die sociale factoren geen object van de verzekering zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze motivering te twijfelen.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiseres per 24 maart 2025 beëindigd. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten
.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
Z. Selkan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO).