ECLI:NL:RBOBR:2025:7861

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
24/3900
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraken over het ambtshalve uitschrijven van eisers uit de Basisregistratie Personen (Brp) door de gemeente 's-Hertogenbosch

In deze zaak hebben eisers, die meer dan acht maanden per jaar buiten Nederland verblijven, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch om hen ambtshalve uit te schrijven van hun briefadres in de Basisregistratie Personen (Brp). Eisers zijn gepensioneerd en verblijven permanent op een boot, maar hebben niet de vereiste formele aangifte van hun vertrek gedaan. De rechtbank heeft op 3 december 2025 geoordeeld dat het beroep ongegrond is, omdat het college wettelijk verplicht was om het vertrek van eisers te registreren. De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers feitelijk langer dan acht maanden buiten Nederland verblijven en dat zij niet als ingezetene kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de wet rechtvaardigen. De eisers hebben geen gelijk gekregen en het besluit van het college blijft in stand. De rechtbank heeft bepaald dat eisers het griffierecht niet terugkrijgen en geen vergoeding van proceskosten ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eisers],

thans verblijvende te [locatie],
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, het college
(gemachtigden: [naam] en mr. C.P.A.A. Kox).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college dat eisers ambtshalve uitgeschreven moesten worden van hun briefadres in de Basisregistratie personen (Brp) omdat zij zijn vertrokken uit Nederland. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij hebben beroep ingesteld en voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft eisers bij besluit van 8 augustus 2024 (het primaire besluit) ambtshalve uitgeschreven van hun briefadres in de Brp en hun gegevens opgenomen in de Registratie van Niet-Ingezetenen (RNI).
2.1.
Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek afgewezen met de uitspraak van 1 oktober 2024. [1]
2.2.
In het bestreden besluit van 9 oktober 2024 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben bij brief van 28 augustus 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eisers zijn gepensioneerd. Zij hebben in 2021 hun woning verkocht en wonen sindsdien permanent op een boot. Op verzoek van eisers heeft de gemeente op
26 februari 2021 in de Brp hun toenmalige woonadres in de gemeente Maasbommel gewijzigd in een briefadres in de gemeente ’s-Hertogenbosch (de gemeente). Dit briefadres is het woonadres van hun zoon.
3.1.
Op 26 juli 2023 zijn eisers met hun boot uit Nederland vertrokken voor een reis door Europa. Eisers verblijven sindsdien buiten Nederland.
3.2.
Het college heeft eisers op 9 juli 2024 bericht dat is vastgesteld dat zij op dat moment al bijna 12 maanden in het buitenland verblijven en dat zij niet zelf aangifte van hun vertrek hebben gedaan. [2] Omdat eisers geen aangifte hebben gedaan, heeft het college hen bij besluit van 8 augustus 2024 ambtshalve uitgeschreven van hun briefadres [3] en hun gegevens ondergebracht in de RNI.
Is het besluit evident onrechtmatig en onevenredig?
4. Eisers betogen dat het besluit evident onrechtmatig en onevenredig is omdat het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, een deugdelijke motivering ontbreekt en omdat door het college geen inzichtelijke belangenafweging is gemaakt. Eisers zijn niet vertrokken naar het buitenland, maar maken een reis met hun boot. Hierdoor kunnen zij zich niet elders inschrijven. Ook is het voor eisers onmogelijk om iedere drie maanden terug naar Nederland te keren. Zij willen daarom gedurende hun reis ingeschreven blijven op hun briefadres. Dat de gemeente dit niet mogelijk maakt, heeft voor hen ingrijpende en onevenredige gevolgen. Zij zullen daardoor uiteindelijk misschien wel noodgedwongen moeten terugkeren naar Nederland en hun pensioendroom moeten opgeven.
5. De rechtbank stelt voorop dat de gegevens in de Brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. Gebruikers van de gegevens in de Brp, zoals overheidsinstanties en (zorg-) verzekeraars, moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van deze gegevens. [4] Met het oog daarop moeten in de Brp de gegevens over iemands feitelijke verblijfplaats worden geregistreerd. Een ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, is verplicht om hiervan vóór vertrek schriftelijk aangifte te doen. [5] Als iemand die verplichting niet nakomt, moet het college ambtshalve de gegevens van het vertrek en verblijf buiten Nederland registreren. [6] Uit vaste rechtspraak volgt dat het college daarbij aannemelijk moet maken dat de betreffende persoon naar redelijke verwachting ten minste acht maanden per jaar buiten Nederland verblijft of zal verblijven. [7] Het college dient bij het besluit om het vertrek van een persoon naar het buitenland te registreren, uitsluitend een beoordeling te geven over de feiten. Er bestaat geen ruimte om op grond van een belangenafweging af te zien van registratie van het vertrek naar het buitenland. [8]
5.1.
Het is niet in geschil dat eisers vanaf 26 juli 2023 feitelijk in het buitenland verblijven en dat zij gedurende een jaar langer dan acht maanden buiten Nederland zijn. Eisers hebben dit ook zelf per Whatsapp gemeld aan een ambtenaar van de gemeente. Zij hebben echter niet de vereiste formele aangifte van hun vertrek gedaan. Het college was daarom, zoals hiervoor overwogen, verplicht om ambtshalve het vertrek van eisers uit Nederland te registreren in de Brp. Eisers konden daardoor niet langer als ingezetene worden beschouwd en ook kon hun briefadres niet behouden blijven. Omdat de Wet Brp geen ruimte biedt voor een belangenafweging, hoefde het college niet te onderzoeken welke gevolgen dit voor eisers zou hebben en of er alternatieven mogelijk waren zodat eisers hun rechten in Nederland konden behouden zolang zij op reis waren.
5.2.
Dat eisers, zoals zij betogen, ernstige praktische en financiële belemmeringen ondervinden, is voorstelbaar, maar de rechtbank oordeelt dat deze gevolgen voortvloeien uit hun eigen keuze om langdurig uit Nederland te vertrekken en niet uit het bestreden besluit. Er is daarmee geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet al volledig zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever of die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien. Het had op de weg van eisers gelegen om voorafgaand aan hun vertrek te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van hun reisplannen en hoe zij daarmee om zouden moeten gaan. Het college heeft eisers voor hun vertrek meermaals erop gewezen dat zij zich, gelet op de dwingende bepalingen in de Wet Brp, zouden moeten uitschrijven als zij langdurig met hun boot naar het buitenland zouden vertrekken en dat in eisers’ situatie geen briefadres kon worden toegekend. Eisers hebben op de zitting ook bevestigd dat zij hiervan vóór hun vertrek op de hoogte waren.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
6. Eisers betogen dat andere gemeenten in vergelijkbare gevallen wel een briefadres toekennen. Volgens eisers worden zij hierdoor ongelijk behandeld en is het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
7. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen die ten onrechte ongelijk zijn behandeld. [9] Eisers verwijzen naar een nieuwsbericht van de Nationale Ombudsman als onderbouwing van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel. Uit dit bericht kan echter niet worden opgemaakt dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Zo is niet duidelijk om welke gemeenten het gaat, op welke juridische basis een briefadres zou zijn verstrekt en of de omstandigheden van de in dat artikel beschreven personen daadwerkelijk overeenkomen met de omstandigheden van eisers. Het college heeft betwist dat er sprake is van vergelijkbare gevallen en eisers hebben dit verder niet onderbouwd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
8. Eisers doen een beroep op de hardheidsclausule in artikel 8 van de Beleidsregels briefadres gemeente ’s-Hertogenbosch 2018 (de Beleidsregels). Zij menen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregels rechtvaardigen. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eisers niet dat het college dit heeft onderzocht. Eisers voeren verder aan dat uit informatie op de website van de gemeente kan worden opgemaakt dat het college in bijzondere situaties van de regels kan afwijken en maatwerk kan bieden. Volgens eisers mogen zij er als burgers op vertrouwen dat de gemeente meedenkt met haar inwoners en ervoor zorgt dat deze niet in een schrijnende situatie terecht komen.
9. De rechtbank overweegt dat het alleen mogelijk is een briefadres toe te kennen aan personen die als ingezetene in de basisregistratie zijn of worden ingeschreven. [10] Personen die meer dan acht maanden per jaar buiten Nederland verblijven, kunnen niet als ingezetene worden aangemerkt. [11]
9.1.
Eisers verblijven langdurig buiten Nederland. Zij kunnen daarom niet worden beschouwd als ingezetene en komen daardoor niet in aanmerking voor een briefadres. De hardheidsclausule in de Beleidsregels biedt alleen de mogelijkheid om af te wijken van de Beleidsregels, maar kan niet de bepalingen van de Wet Brp opzijzetten. [12] Het college kan de hardheidsclausule uit de Beleidsregels dan ook niet toepassen om eisers alsnog in te schrijven op een briefadres.
9.2.
De Wet Brp bevat zelf geen hardheidsclausule en biedt ook geen ruimte voor een belangenafweging ten aanzien van de vraag of iemand als ingezetene op een briefadres kan worden geregistreerd.
9.3.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Het college was wettelijk verplicht om het vertrek van eisers in de Brp te registreren en kon het briefadres niet handhaven. Dat betekent dat het besluit van het college in stand blijft.
11. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.H. Nelissen, rechter, in aanwezigheid van
P.L.M.M. Mulders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet basisregistratie personen

Artikel 2.21

Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.
Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.
De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.
Indien de ingezetene in de aangifte van vertrek meldt te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan hem kosteloos een verhuisbericht, volgens een door Onze Minister vast te stellen model.

Artikel 2.23

Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen.
Het college van burgemeester en wethouders neemt ambtshalve een briefadres op indien het woonadres ontbreekt en geen aangifte wordt gedaan van een briefadres.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt als briefadres opgenomen met instemming van een briefadresgever als bedoeld in artikel 2.42 diens adres of, indien geen instemming van een briefadresgever wordt verkregen, een adres van de gemeente.

Artikel 2.38

Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.
Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.
Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en legt de geschriften over ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, legt hij een hem betreffend verhuisbericht over, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.
Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.
In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.
Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien:
a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte,
b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of
c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.

Artikel 2.43

De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
Ter uitvoering van het eerste lid verschijnt de ingezetene in persoon bij het college, indien:
a. niet alle ingezetenen met hetzelfde woonadres die echtgenoot, geregistreerde partner, levensgezel dan wel bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad zijn van de persoon die aangifte van vertrek doet, de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen; of
b. niet voor alle ingezetenen met hetzelfde woonadres die echtgenoot, geregistreerde partner, levensgezel dan wel bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad zijn van de persoon die aangifte van vertrek doet, de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt vervuld.
4. Een minderjarige verschijnt in persoon, tenzij alle ingezetenen, bedoeld in het derde lid, met hetzelfde woonadres als de minderjarige de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen of deze verplichting voor hen wordt vervuld.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste of vierde lid niet van toepassing is.

Artikel 2.60

Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:
an een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;
een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;
een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;
ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden;
ambtshalve over te gaan tot verbetering, aanvulling of verwijdering van een algemeen gegeven;
bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;
niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.55 tot en met 2.59,
wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Besluit basisregistratie personen

Artikel 29

Niet verplicht tot het doen van aangifte van vertrek is de ingezetene die vanaf het tijdstip van het vertrek uit Nederland naar redelijke verwachting niet langer dan twee jaar buiten Nederland verblijft en die gedurende zijn verblijf buiten Nederland beroepshalve vaart aan boord van een schip dat in Nederland de thuishaven heeft.
Het eerste lid is alleen van toepassing indien de betrokkene gedurende zijn verblijf buiten Nederland beschikt over een adres in Nederland.
Beleidsregels briefadres gemeente 's-Hertogenbosch 2018

Artikel 8 Hardheidsclausule

Als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze beleidsregels zou leiden tot een onbillijkheid, kan worden afgeweken van het bepaalde in deze beleidsregels.

Voetnoten

1.Zaaknummer SHE 24/2987
2.Zoals vereist op grond van artikel 2.43 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp).
3.Op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet Brp.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2378.
5.Dit volgt uit artikel 2.43, eerste lid, van de Wet Brp.
6.Dit volgt uit uit artikel 2.21, tweede lid, van de Wet Brp.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:269, r.o. 2.2.
8.Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3001 en van
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4922.
10.Dat volgt uit artikel 2.23 van de Wet Brp omdat die bepaling onderdeel uitmaakt van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de Wet Brp. Op grond van artikel 2.1 is deze afdeling slechts van toepassing op personen die als ingezetene in de basisregistratie zijn of worden ingeschreven.
11.Zie ook de uitspraak van de Afdeling, van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2270.
12.De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:RVS:2022:152, rechtsoverweging 3.4.