ECLI:NL:RBOBR:2025:8201

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/2709
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor exploitatie van een dierenhotel

In deze zaak hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het exploiteren van een dierenhotel. De voorzieningenrechter heeft op 16 december 2025 uitspraak gedaan en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gevolgen van het vergunde gebruik niet zodanig zijn dat een schorsing van de omgevingsvergunning gerechtvaardigd is. De vergunninghouder had de aanvraag voor de omgevingsvergunning op 8 november 2023 ingediend, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad verleende deze vergunning op 11 september 2025. Verzoekers, die zelf een onderneming drijven met soortgelijke activiteiten, vrezen voor negatieve effecten op hun woon- en leefomgeving, met name geluidsoverlast door de aanwezigheid van maximaal 75 honden en 25 katten in het dierenhotel. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de exploitatie van het dierenhotel in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat dit niet leidt tot een schorsing van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter heeft de belangen van de vergunninghouder zwaarder laten wegen dan die van de verzoekers, omdat er geen bewijs is geleverd van onomkeerbare schade of ernstige overlast. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2709

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekers], uit [plaatsnaam] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J.J. de Winter),

enhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, het college

(gemachtigde: mr. M.J. Dijkhoff).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam bedrijf]uit [plaatsnaam] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het exploiteren van een dierenhotel.
Verzoekers verzetten zich tegen deze omgevingsvergunning en hebben, naast het maken van bezwaar, de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 8 november 2023 de aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het bestreden besluit van 11 september 2025 verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren [naam] en de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. [naam] en [naam] , en de gemachtigde van vergunninghouder, tezamen met [naam] en [naam] namens vergunninghouder, aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.
3.1.
De derde-partij exploiteert een dierenhotel in een voormalige champignonkwekerij op de kadastrale percelen, sectie L, nummers [nummer] en [nummer] , gelegen aan het adres [adres] (de locatie). De derde-partij is reeds aangevangen met deze bedrijfsactiviteiten zonder in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning voor het afwijkende gebruik. Dat heeft ertoe geleid dat het college door verzoekers, en andere omwonenden, is verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van de derde-partij.
3.2.
De derde-partij heeft op 8 november 2023 alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk, voor een periode van 24 maanden, afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het exploiteren van het dierenhotel op de locatie.
3.3.
De verzoeken om handhaving zijn afgewezen en de daartegen gemaakte bezwaren zijn ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld door verzoekers en omwonenden. [1] Daarnaast is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. [2] Dat heeft geleid tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 1 april 2025. [3] Daarin heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake was van concreet zicht op legalisatie.
3.4.
De derde-partij heeft op 9 januari 2025 verder een omgevingsvergunning aangevraagd voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om blijvend af te wijken van het omgevingsplan voor het exploiteren van het dierenhotel op de locatie. Het college heeft het voornemen uitgesproken om mee te werken aan de oprichting van het dierenhotel via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, mits een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden wordt gegarandeerd. De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is echter (nog) niet verleend.
3.5.
Met het bestreden besluit van 11 september 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor het exploiteren van het dierenhotel op de locatie verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op het verblijf van maximaal 75 honden en 25 katten. Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
3.6.
Verzoekers wonen en drijven een onderneming aan de [adres] . Zij ontplooien binnen deze onderneming soortgelijke bedrijfsactiviteiten als op de locatie. Verzoekers vangen honden op en doen aan gedragstherapie.
3.7.
Verzoekers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers stellen onder meer dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en zij vrezen voor negatieve effecten op hun woon- en leefomgeving, met name vanwege geluidsoverlast door de cumulatieve gevolgen van twee kort op elkaar gesitueerde hondencentra, als gevolg van het bestreden besluit. Verzoekers zijn verder van mening dat meerdere (formele) gebreken aan de verleende omgevingsvergunning kleven. Zo stellen zij dat de beoogde ontwikkeling, vanwege het permanente karakter, alleen via een omgevingsplanwijziging kan worden gerealiseerd en dat sprake is van strijd met de gemeentelijke en provinciale regels.
3.8.
Naast onderhavige procedure over de tijdelijke omgevingsvergunning en de procedures die gaan over de afwijzing van de handhavingsverzoeken, speelt tussen partijen nog een geschil over een genomen (en nog te wijzigen) maatwerkbesluit ten aanzien van geluid.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 november 2023. Dat betekent in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
5. Op de locatie is het bestemmingsplan "Buitengebied” (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan rust op de locatie de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 2” en "Waarde-Archeologie 3”. Ook is het bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit” van toepassing alsmede het paraplubestemmingsplan Parkeren.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de exploitatie van een dierenhotel op de locatie in strijd is met het bestemmingsplan. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
Belanghebbende
7. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. [4]
7.1.
Vergunninghouder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat verzoekers geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Verzoekers’ perceel ligt namelijk op meer dan honderd meter afstand van de locatie. Daarnaast ziet de omgevingsvergunning op bestaande bebouwing, waardoor het zichtcriterium geen rol meer speelt. Voorts is het betoog van verzoekers dat sprake is van ernstige geluidsoverlast niet met objectieve gegevens onderbouwd.
7.2.
De voorzieningenrechter kan op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet uitsluiten dat verzoekers gevolgen van enige betekenis ondervinden en kan daarom niet concluderen dat verzoekers geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat hondengeblaf ver kan reiken, temeer nu in de omgevingsvergunning toestemming is gegeven voor de aanwezigheid van (maximaal) 75 honden, zonder beperkingen naar grootte en/of ras, en dat de locatie in een vrij open omgeving ligt. De voorzieningenrechter betrekt daar ook bij dat in het besluit dat strekt tot afwijzing van het handhavingsverzoek (en de daarop volgende beslissing op bezwaar), [5] het college zich niet op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers geen belanghebbende zijn, maar het handhavingsverzoek inhoudelijk heeft beoordeeld. Toen was het college dus kennelijk van mening dat verzoekers belanghebbenden zijn.
Bovendien exploiteren verzoekers soortgelijke bedrijfsactiviteiten binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen reden om het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen vanwege het ontbreken van een redelijke kans van slagen van het bezwaar op de grond dat verzoekers geen belanghebbenden zouden zijn.
Weging van (spoedeisende) belangen
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de zaak zich niet leent voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel, omdat tussen partijen meerdere andere procedures lopen die van invloed zijn op onderhavige omgevingsvergunning, waaronder een geschil over het (nog te wijzigen) maatwerkbesluit over geluid. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om voorlopige voorziening beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
8.1.
De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
8.2.
Verzoekers betogen dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit dat (al) daadwerkelijk wordt gebruikt om het dierenhotel te exploiteren en waardoor verzoekers worden geconfronteerd met alle ruimtelijke gevolgen van dien. Zij wijzen meer specifiek op cumulatieve effecten, ernstige geluidsoverlast en verkeersaantrekkende werking. Dit rechtvaardigt volgens verzoekers een schorsing van de omgevingsvergunning.
8.3.
Het college stelt voorop dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de feitelijke situatie kan worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat. De bebouwing blijft namelijk gelijk aan het bestaande. Slechts het toegestane gebruik verandert. Dat is volgens het college geen onomkeerbaar gevolg van de uitvoering van het besluit.
Het college stelt verder dat geen sprake is van een dermate ernstige schending van belangen van verzoekers dat onmiddellijk ingrijpen nodig is. Dat kan ook worden afgeleid uit het feit dat een verzoek om voorlopige voorziening bijna anderhalve maand na het verlenen van de omgevingsvergunning is ingediend. Volgens het college is geen sprake van een situatie waarin verzoekers onaanvaardbare (ruimtelijke) overlast ondervinden van de locatie. Het perceel van verzoekers ligt namelijk zo’n 350 meter van de locatie. Ook heeft het college een maatwerkvoorschrift ten aanzien van geluid opgelegd en is aan de landschappelijke inpassing een verplichting verbonden dat een geluidsscherm moet worden geplaatst binnen drie maanden na vergunningverlening. Wat het verkeer betreft, stelt het college dat tussen het perceel van verzoekers en de locatie een T-splitsing ligt, wat ervoor zorgt dat aan- en afrijdend verkeer van en naar verschillende richtingen rijdt.
8.4.
Ook vergunninghouder ziet geen spoedeisend belang, omdat geen sprake is van onomkeerbare gevolgen. Vergunninghouder betwist daarnaast dat sprake is van (ernstige) geluidsoverlast en stelt verder daarbij dat verzoekers geen enkel (begin van) bewijs hebben overgelegd waaruit dat zou blijken.
8.5.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het belang van vergunninghouder bij het niet schorsen van de omgevingsvergunning in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning vanwege de gestelde overlast en overweegt daartoe als volgt.
8.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat een (tijdelijke) omgevingsvergunning voor het afwijkende gebruik is verleend en dat vergunninghouder het dierenhotel feitelijk ook daadwerkelijk exploiteert. Dat betekent dat verzoekers reeds geconfronteerd worden met de ruimtelijke gevolgen die deze exploitatie met zich brengt. De voorzieningenrechter acht deze gevolgen echter niet zodanig dat deze gevolgen een schorsing van de omgevingsvergunning, en daarmee in feite de stillegging van het bedrijf van vergunninghouder, rechtvaardigt. De voorzieningenrechter hecht in dat kader belangrijke betekenis aan het feit dat verzoekers geen bewijs van overmatige hinder of overlast hebben overgelegd en dat tijdens de zitting is aangegeven dat op zeer korte termijn (voor het einde van het jaar) een geluidswal wordt geplaatst. De voorzieningenrechter sluit daarmee niet uit dat verzoekers gevolgen van de exploitatie van het dierenhotel ondervinden, maar acht die gevolgen niet dermate ernstig of hinderlijk dat deze gevolgen schorsing van de omgevingsvergunning rechtvaardigen.
Voor zover verzoekers bij hun standpunt betrekken dat het oneerlijk is dat het bedrijf al tijden exploiteert zonder (onherroepelijke) omgevingsvergunning, kan daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis worden toegekend. Sinds verlening van de omgevingsvergunning is namelijk geen sprake (meer) van een overtreding.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet geschorst wordt en dat vergunninghouder daar desgewenst gebruik van kan maken.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijst, ziet hij geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Oosterveer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder SHE 25/1493 en SHE 25/1548.
2.Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder SHE 24/4253.
4.Vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2556.
5.Dat heeft geleid tot het beroep met zaaknummer SHE 25/1493.