Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 in de zaak tussen
enhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, het college
[naam bedrijf]uit [plaatsnaam] , vergunninghouder
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het exploiteren van een dierenhotel op een voormalige champignonkwekerij. Zij vorderen een voorlopige voorziening om de vergunning te schorsen vanwege vermeende negatieve effecten zoals geluidsoverlast en verkeersaantrekkende werking.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunninghouder reeds met de exploitatie is begonnen en dat de vergunning op 11 september 2025 is verleend. Verzoekers maken bezwaar en voeren onder meer aan dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de cumulatieve effecten van twee hondencentra in de omgeving leiden tot ernstige overlast. Het college en vergunninghouder betwisten het spoedeisend belang en wijzen op maatregelen zoals een geluidswal en de afstand tussen de locaties.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekers wel belanghebbenden zijn, maar dat het spoedeisend belang ontbreekt om de vergunning te schorsen. De gevolgen van de exploitatie zijn niet van dien aard dat stillegging gerechtvaardigd is. Verzoekers hebben geen bewijs van overmatige hinder geleverd en de geplande geluidsschermen wegen mee in het oordeel.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de vergunning niet wordt geschorst en vergunninghouder de exploitatie kan voortzetten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de omgevingsvergunning wordt niet geschorst.