Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
4.
[gedaagde 4],
5.[gedaagde 5] ,
[gedaagde 6],
7.[gedaagde 7] ,
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
[eiser] beroept zich allereerst op de verklaring van de heer [A] . Van belang is dat zich twee verklaringen van [A] in het dossier bevinden. De ene verklaring is gericht aan notaris [C] en de andere verklaring is opgesteld ten behoeve van de afdeling Toezicht van deze rechtbank. Geen van beide verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank steun aan de stelling dat erflaatster leed aan dementie, laat staan in een mate dat het in de weg stond aan de vrije wilsvorming van erflaatster. In dit verband is van belang dat de heer [A] in beide verklaringen schrijft dat erflaatster een helder bewustzijn had en dat sprake was van milde cognitieve problemen. Verder volgt uit de verklaring die gericht is aan de afdeling Toezicht dat geen sprake was van geheugenproblemen en oriëntatiestoornissen, maar dat erflaatster moeite had met het behouden van het financiële overzicht en dat ze kwetsbaar was voor financieel misbruik door derden.