ECLI:NL:RBOBR:2025:8358

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
10997997 \ CV EXPL 24-1955
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onvoldoende bewijs dat krassen in wasstraat zijn ontstaan

Eiser vordert schadevergoeding van Washin7 wegens krassen op zijn auto die volgens hem in de wasstraat zijn ontstaan. Hij onderbouwt dit met foto's, een schaderapport en getuigenverklaringen van familie en een buurman die verklaren dat de auto onbeschadigd was voordat deze de wasstraat inreed. Washin7 betwist dit en stelt dat de auto al beschadigd was.

De kantonrechter legt de bewijslast bij eiser en beoordeelt dat de getuigenverklaringen van eiser onvoldoende geloofwaardig zijn vanwege hun nauwe relatie met eiser, terwijl de gedetailleerde verklaring van de medewerker van Washin7 die de auto begeleidde, aangeeft dat de auto al beschadigd was. Camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk om krassen aan te tonen.

Deskundigen verklaren dat het wasstraatproces normaal gesproken niet leidt tot dergelijke krassen, en de door eiser aangevoerde mogelijke schadetoedrachten zijn niet aannemelijk onderbouwd. Gezien de onaannemelijkheid van de schadetoedracht en het ontbreken van voldoende bewijs, komt de kantonrechter tot het oordeel dat eiser niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

Daarom worden alle vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de krassen in de wasstraat zijn ontstaan.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 10997997 \ CV EXPL 24-1955
Vonnis van 18 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. Trappenburg (Achmea rechtsbijstand),
tegen
HEVE B.V. h.o.d.n. WASHIN7,
te Eindhoven,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Washin7,
gemachtigde: T. Urban.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 november 2024
- de akte van bewijslevering van [eiser] van 2 januari 2025
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 3 juni 2025
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 20 oktober 2025
- de e-mail van [eiser] van 29 oktober 2025, waarin hij afziet van contra-expertise
- de conclusie na bewijslevering aan de zijde van [eiser] van 20 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Inleiding

2.1.
In deze zaak vordert [eiser] schadevergoeding van Washin7. Het gaat om een bedrag van € 1.742,40 plus onderzoekskosten van € 80,56. Daarnaast vordert [eiser] buitengerechtelijke kosten.
2.2.
Volgens [eiser] is zijn auto bekrast geraakt terwijl hij gebruik maakte van de wasstraatservice van Washin7. Volgens [eiser] had de auto namelijk geen schade vóórdat hij de wasstraat inreed. [eiser] heeft dit onderbouwd met foto’s, een meldingsformulier van Washin7 en een rapport van 23 mei 2023 van Dekra. Washin7 heeft onderbouwd weersproken dat de schade in de wasstraat is ontstaan. Volgens Washin7 was de auto al bekrast vóórdat [eiser] de wasstraat inreed.
2.3.
In het tussenvonnis van 28 november 2024 heeft de kantonrechter [eiser] opgedragen om bewijs te leveren voor zijn stelling dat de auto vóór het inrijden geen schade had.
2.4.
[eiser] heeft drie getuigen gehoord:
  • [A] (de vrouw van [eiser] )
  • [B] (de zoon van [eiser] ), en
  • [C] (de buurman van [eiser] ).
2.5.
Hierop heeft Washin7 twee getuigen gehoord:
  • [D] (de eigenaar van Washin7) en
  • [E] (de medewerker die [eiser] destijds de wasstraat in heeft geleid)
2.6.
Verder heeft Washin7 als deskundige gehoord:
- [F] (sales manager bij Washtech).
2.7.
In dit vonnis komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Kort gezegd komt het erop neer dat de verklaringen van de getuigen aan de zijde van [eiser] onvoldoende geloofwaardig zijn, gelet op de andersluidende verklaring van [E] in combinatie met de bijzondere aard van de schade en de onaannemelijkheid dat deze in de wasstraat is ontstaan.

3.De beoordeling

Bewijslast en bewijsopdracht
3.1.
[eiser] heeft in zijn akte van bewijslevering aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast bij [eiser] berust. Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat de kantonrechter niet over had kunnen gaan tot een bewijsopdracht enkel op basis van partijdige verklaringen aan de zijde van Washin7.
3.2.
Voor zover [eiser] de kantonrechter in deze akte heeft verzocht om op de bewijsopdracht terug te komen, overweegt de kantonrechter het volgende.
3.3.
Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) luidt:
“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”
3.4.
[eiser] heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat Washin7 tekort is gekomen in de nakoming van de overeenkomst, dan wel dat Washin7 een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Beide grondslagen veronderstellen dat de auto niet bekrast was vóórdat deze de wasstraat inreed. [eiser] draagt de bewijslast van dit gestelde feit, aangezien hij zich beroept op de rechtsgevolgen ervan. Namelijk: een uit de wet te ontstane verbintenis tot betaling van schadevergoeding. Hieraan doet niet af dat Washin7 heeft aangevoerd dat de auto bij het inrijden al bekrast was. Anders dan [eiser] aanvoert, is dit geen zogeheten bevrijdend verweer waarvoor de bewijslast bij Washin7 ligt, maar een betwisting van de stelling van [eiser] . De betwisting door Washin7 heeft niet tot gevolg dat de bewijslast voor het tegendeel naar Washin7 verschuift.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om terug te komen op de beslissing dat de bewijslast bij [eiser] berust.
3.6.
Voor zover [eiser] aanvoert dat de kantonrechter niet tot een bewijsopdracht kon overgaan op basis van enkel partijdige verklaringen, geldt het volgende. Het staat de rechter niet vrij om vooruit te lopen op de toegevoegde bewijswaarde van een bewijsaanbod. Anders gezegd: van een partij die aanbiedt zijn stellingen te bewijzen kan niet worden gevergd dat hij, wil hij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand zijn stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. [1] Aangezien Washin7 de stellingen van [eiser] voldoende gemotiveerd heeft betwist, diende de kantonrechter partijen tot bewijslevering toe te laten.
Toetsingskader
3.7.
In deze zaak ligt de bewijslast dus bij [eiser] . Het is aan [eiser] om voldoende aannemelijk te maken dat de auto geen schade had voordat deze de wasstraat inreed. Als [eiser] bewijs levert, dan is het voor Washin7 bij het leveren van tegenbewijs voldoende als dit tegenbewijs het door [eiser] geleverde bewijs ontzenuwt. [2]
3.8.
De kantonrechter zal hierna eerst het zich in het dossier bevindende bewijs in kaart brengen. Daarna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.
Inventarisatie van bewijs
3.9.
[eiser] heeft bij dagvaarding enkele foto’s van de bekraste auto in het geding gebracht. Op de foto’s – die direct na de wasbeurt en nog naast de wasstraat zijn gemaakt – is te zien dat de auto volledig is ondergekrast. Het gaat om de motorkap, het dak, de achterruit, de kofferbak en alle deuren. De kantonrechter licht er ter illustratie drie uit op de navolgende pagina’s.
3.10.
Foto 1:
3.11.
Foto 2 (om privacyredenen bijgeknipt):
3.12.
Foto 3 (om lay-outtechnische redenen bijgeknipt):
3.13.
[eiser] heeft verder camerabeelden in het geding gebracht van een beveiligingscamera van de wasstraat. De kantonrechter licht er één still uit (uitsluitend met twee grijze vlakken bewerkt in verband met de privacy van betrokkenen):
3.14.
De drie door [eiser] gehoorde getuigen hebben ieder verklaard dat zij de auto hebben gezien vlak voordat deze naar de wasstraat werd gebracht. Alle drie de getuigen hebben verklaard dat de auto toen onbeschadigd was. Alle drie de getuigen zeggen de auto van dichtbij te hebben gezien. De getuigen hebben inhoudelijk op gelijke wijze verklaard in hun schriftelijke verklaringen die [eiser] bij dagvaarding heeft overgelegd.
3.15.
De ooggetuige van Washin7, [E] , heeft gedetailleerd verklaard dat en hoe hij de auto heeft gezien voordat deze de wasstraat inreed. Volgens [E] was de auto, die hij van dichtbij kon waarnemen, op het moment van inrijden al volledig bekrast.
Deskundigen
3.16.
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen betrekt de kantonrechter ook de deskundigenverklaringen over de mogelijke toedracht van de krassen.
3.17.
[eiser] heeft een schaderapport ingebracht van [G] , schade-expert bij Dekra Claims en Expertise B.V. In dit schaderapport staat, voor zover relevant:
“De beschadigingen aan het voertuig zijn oppervlakkige krassen in horizontale, verticale en diagonale positie. De waargenomen krassen komen voort door een plotselinge gebeurtenis en niet door een langzaam inwerkende slijtage van de laklaag. Het waargenomen schadebeeld stemt overeen met de schadetoedracht wanneer de zeemlappen zoals afgebeeld op afbeelding 5 vervuild zijn geraakt en over het voertuig krassen.”
3.18.
Afbeelding 5 van het schaderapport betreft een weergave van zeemlappen in een wasstraat (afgebeeld met een andere auto dan die van [eiser] ):
3.19.
De deskundige van Washin7, [F] , heeft, zakelijk samengevat, verklaard dat:
  • in het wasstraatproces de auto eerst wordt voorgereinigd en daarna met hogedrukspuiten wordt schoongespoeld;
  • pas daarna voor het eerst sprake is van frictie omdat vanaf dat moment de borstels in beeld komen;
  • eventuele door borstels te ontstane krassen vanwege de consequente positionering en draairichting van de borstel steeds dezelfde krasrichting zouden moeten hebben;
  • de eenduidigheid van de krasrichting wordt ondersteund door het feit dat toen vroeger werd gewerkt met PE-borstels, het restmateriaal van de borstels eenduidige horizontale lijnen trok;
  • er geen wezenlijke variaties optreden in de krasrichting vanwege de druk van de borstels en zeemlappen op het contactoppervlak;
  • de zeemlappen pas ná de borstelfase – namelijk in de
  • het niet onmogelijk is dat er krasschade ontstaat in een wasstraat, maar dat dit dan te maken heeft met ofwel een technisch mankement aan bijvoorbeeld de watertoevoer, ofwel met een afgebroken antenne;
  • dergelijke schade dan in de regel ook zal worden aangetroffen op andere auto’s die door de wasstraat zijn gegaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Getuigenverklaringen zijn op zichzelf onvoldoende
3.20.
De getuigen van [eiser] hebben eensluidend verklaard dat de auto niet beschadigd was voordat deze de wasstraat inreed. Geen van de drie door [eiser] gehoorde getuigen is echter neutraal. De vrouw en de zoon van [eiser] zijn rechtstreekse familieleden met wie [eiser] bovendien samenwoont. Dat alleen al maakt dat terughoudend moet worden omgesprongen met wat ze hebben verklaard. De buurman van [eiser] heeft weliswaar geen kenbaar direct of indirect eigen belang bij de uitkomst van deze procedure, maar ook voor hem geldt dat hij geen neutrale derde is. Naar eigen zeggen staat hij immers op vriendschappelijke voet met de familie [eiser] en komt hij er ook over de vloer.
3.21.
Tegenover de verklaringen van de getuigen van [eiser] staat de verklaring van [E] . [E] is ook geen neutrale derde, aangezien hij werkzaam is bij Washin7. [E] heeft echter gedetailleerd en consistent verklaard over zijn aanwezigheid bij de wasstraat, zijn rol in het geheel, het zicht dat hij op de auto had en de interactie die hij met [eiser] heeft gehad. [E] heeft ondubbelzinnig verklaard dat hij de krassen heeft waargenomen vóórdat de auto de wasstraat inreed. De verklaring van [E] weerspreekt die van de getuigen van [eiser] .
3.22.
Het komt in deze zaak aan op de geloofwaardigheid van de door [eiser] gehoorde getuigen. Bij de beoordeling daarvan is onder andere van belang in welke mate de verklaringen worden ondersteund door ander bewijs. Verder geldt dat, hoewel de bewijsopdracht ziet op het
ontbrekenvan schade aan de auto en niet op de schadetoedracht, de kantonrechter bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook acht zal slaan op de aannemelijkheid van het ontstaan van de schade. Indien het hoogst onaannemelijk is dat de gestelde schade kan zijn ontstaan in de wasstraat, dan doet dat immers afbreuk aan de geloofwaardigheid van de getuigen.
Camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk
3.23.
Het ondersteunend bewijs bestaat volgens [eiser] in eerste instantie uit de camerabeelden waarop de auto van [eiser] te zien is voordat hij de wasstraat inrijdt. Op deze camerabeelden zijn geen krassen op de auto te zien. Volgens [eiser] is daarmee duidelijk bewezen dat de auto onbeschadigd was op dat moment. Washin7 heeft echter naar voren gebracht dat de kwaliteit van de beeldopnamen niet van dien aard is dat eventuele krassen op auto’s vanaf deze afstand zichtbaar zijn. De kantonrechter volgt op dit punt de zienswijze van Washin7. Zonder verdere informatie over de kwaliteit van het camerasysteem, de lichtopstelling van de auto of voorbeelden van beelden van hetzelfde systeem waarop krassen op auto’s waarneembaar zijn, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om met [eiser] aan te nemen dat de krassen op de auto met voldoende zekerheid zichtbaar zouden zijn geweest op deze beelden. Daaraan doet niet af dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, er wél schade zichtbaar is op de wand achter de auto. Uit het dossier valt namelijk niet op te maken hoe vergelijkbaar de schade aan de muur is met de krassen op de auto.
Schadetoedracht is in algemene zin onaannemelijk
3.24.
De kantonrechter weegt bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigen ook mee dat vooralsnog geen aannemelijke schadeoorzaak naar voren is gekomen. De krassen op de auto van [eiser] gaan kriskras over de gehele auto. De kantonrechter is het met Washin7 eens dat het, gelet op het door [F] geschetste wasproces, in zijn algemeenheid niet goed voorstelbaar is dat het wasstraatproces schade van deze aard kan veroorzaken. Dit is door Washin7 in de preprocessuele fase, in de conclusie van antwoord en vervolgens bij deskundigeverklaring naar voren gebracht. Voldoende concrete aanknopingspunten voor het tegendeel zijn door [eiser] niet naar voren gebracht en zijn ook anderszins niet gebleken. De kantonrechter bespreekt hierna per discussiepunt waarom hij tot zijn oordeel komt.
3.25.
[eiser] heeft aangevoerd dat de krassen kunnen zijn ontstaan door de wasborstels. Dit ligt echter niet voor de hand, aangezien de borstels stationair zijn en één draairichting hebben. De door de borstels eventueel te ontstane krassen zouden daarom ook steeds overwegend evenwijdig moeten zijn. Dat de borstels, zoals [eiser] heeft aangevoerd, drukken op een gevarieerd contactoppervlakte en dat er sprake is van enige wigvorming, verklaart niet de bijzondere mate van onregelmatigheid van de krassen in kwestie.
3.26.
[eiser] heeft aangevoerd dat de zeemlappen de krassen kunnen hebben veroorzaken. Weliswaar hebben de zeemlappen een grilliger contactpatroon, maar ook van de zeemlappen ziet de kantonrechter zonder nadere informatie niet in hoe deze schade kunnen veroorzaken zoals in deze procedure aan de orde is. Daarvoor is van belang dat van de zeemlappen een betrekkelijke mate van frictie uitgaat en dat het ook niet goed voorstelbaar is dat ze zo talrijk en zo ernstig vervuild zijn geraakt dat ze de hoeveelheid krassen zouden veroorzaken die op de auto van [eiser] is aangetroffen. Dat dit niet goed voorstelbaar is, heeft te maken met de aard van het wasstraatproces: tegen de tijd dat de zeemlappen in beeld komen, is een auto al meermaals schoongespoeld en geborsteld. Er zou na die schoonmaakprocessen dus nog een aanzienlijke mate van vuil op een auto moeten resteren om te worden opgepikt door de zeemlappen, waarna dat vuil een volgende auto beschadigt.
3.27.
[eiser] heeft in dit verband nog aangevoerd dat in een modelproces van een wasstraat weliswaar niets misgaat, maar dat er in de praktijk allerlei situaties denkbaar zijn waarin het wasproces onregelmatig verloopt. De voorreiniger kan bijvoorbeeld in storing zijn gevallen of er kan alsnog vervuiling zijn achtergebleven die te hardnekkig was voor de voorreiniger. De kantonrechter sluit met [eiser] niet uit dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin toch vervuiling optreedt in de wasstraat, maar die theoretische mogelijkheden maken nog niet dat de door [eiser] gestelde schadetoedracht voldoende aannemelijk is geworden. Daarvoor ontbreken er in deze zaak concrete, niet zuiver theoretische aanknopingspunten.
3.28.
De deskundige [G] heeft opgemerkt dat de krassen op de auto van [eiser] overeenkomen met de schadetoedracht wanneer zeemlappen vervuild zijn geraakt en over een voertuig krassen. [G] heeft deze opmerking echter niet onderbouwd. In het rapport is niet toegelicht welke mate van vervuiling daarvoor vereist is, hoe aannemelijk is dat de vereiste mate van vervuiling intreedt en hoe deze schadetoedracht zich verhoudt tot de ook door hem geconstateerde uiteenlopende krasrichtingen. Het rapport geeft er verder geen blijk van dat de aard en ernst van de schade aan de auto van [eiser] is afgezet tegen het concrete wasproces van Washin7. De kantonrechter hecht daarom maar beperkte waarde aan het rapport van [G] .
3.29.
De veronderstelde toedracht van de bijzondere schade aan de auto van [eiser] is, al met al, in algemene zin onwaarschijnlijk.
Conclusie bewijswaardering
3.30.
De slotsom is voor wat betreft de bewijswaardering als volgt. Van het door [eiser] ingebrachte bewijs hebben uitsluitend de drie getuigenverklaringen relevante bewijswaarde. Deze verklaringen worden echter tegengesproken door de getuigenverklaring van [E] . Daarom beoordeelt de kantonrechter de geloofwaardigheid van de drie door [eiser] aangehaalde getuigenverklaringen aan de hand van de aannemelijkheid van het ontstaan van de schade in de wasstraat. Hiervoor geldt dat de schadetoedracht in algemene zin onaannemelijk is, gelet op het aantal krassen en de onregelmatige krasrichtingen zoals in deze zaak aan de orde. Nu er – in het licht van de bijzondere aard van de schade – geen verdere verklaringen naar voren zijn gekomen voor de concrete schadetoedracht, acht de kantonrechter de verklaringen van de door [eiser] gehoorde getuigen ongeloofwaardig. Daarom is het voor de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat de auto van [eiser] geen schade had vóórdat deze de wasstraat inreed. Dit feit komt daarom niet vast te staan.
Betekenis voor de vorderingen van [eiser]
3.31.
Alle vorderingen van [eiser] zijn gestoeld op de stelling dat de schade aan de auto in de wasstraat is ontstaan. Aangezien deze stelling niet is komen vast te staan, worden de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Proceskosten
3.32.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] is geen verschotten voor de getuigen verschuldigd, aangezien de getuigen van Washin7 geen kosten hebben gemaakt om op het getuigenverhoor te verschijnen. Bij het begroten van de proceskosten rekent de kantonrechter één punt voor de conclusie van antwoord, één punt voor de mondelinge behandeling, een half punt voor het getuigenverhoor van 3 juni 2025 en een heel punt voor het getuigenverhoor van 20 oktober 2025. In totaal 3,5 punt. De proceskosten van Washin7 worden begroot op:
- salaris gemachtigde
714,00
(3,5 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
816,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 816,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.Y. Ifzaren en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Voetnoten

1.Zie met zoveel woorden HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0865, overweging 3.3.
2.Zie onder meer: HR 2 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3807, overweging 4.4.