ECLI:NL:PHR:2003:AF3807
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslast en bewijsconstructie in civiele zaak over seksueel misbruik
In deze civiele procedure vordert de moeder namens haar minderjarige dochter schadevergoeding wegens seksueel misbruik door de vader. De rechtbank wees de vordering bij verstek toe, waarna de vader in verzet ging en ontkende dat misbruik had plaatsgevonden. De strafrechtelijke veroordeling tegen de vader werd later vernietigd en hij werd vrijgesproken.
De rechtbank stelde vervolgens dat de moeder in beginsel de bewijslast draagt, maar dat uit de verklaringen van het kind en familieleden voorshands kan worden geconcludeerd dat het misbruik heeft plaatsgevonden, waardoor de vader werd belast met het leveren van tegenbewijs. Het hof onderschreef deze bewijsconstructie en verwierp de klachten van de vader over de bewijslastverdeling.
In cassatie klaagt de vader over onduidelijkheid omtrent de bewijsconstructie en toepassing van wettelijke bepalingen over partijgetuigenverklaringen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de hoofdregel van bewijslastverdeling juist heeft toegepast, dat sprake is van een bewijsconstructie behoudens tegenbewijs en dat de verklaringen van het kind geen partijgetuigenverklaringen zijn in de zin van de wet. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de bewijsconstructie van de lagere rechter wordt bevestigd.