ECLI:NL:RBOBR:2025:8675

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
C/01/406698 / FA RK 24-2971 en C/01/409411 / FA RK 24-4272
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling van huwelijksgemeenschap met toepassing van Australisch huwelijksvermogensrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die op 1 oktober 1989 in Australië zijn gehuwd. De vrouw heeft de Australische en Nieuw-Zeelandse nationaliteit, terwijl de man de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de echtscheiding kan worden uitgesproken, omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd en ook zelfstandige verzoeken ingediend, waaronder de vraag of de erfenissen die beide partijen hebben ontvangen, al dan niet in de verdeling moeten worden betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de erfenissen van beide partijen niet apart moeten worden gehouden, maar dat het totale vermogen gelijk moet worden verdeeld. De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld tot betaling van partneralimentatie aan de man van € 1.311 bruto per maand, en heeft de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, waarbij de man de woning in Nieuw-Zeeland toebedeeld krijgt onder bepaalde voorwaarden. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de beslissingen over de echtscheiding en de partneralimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht
Zaakgegevens: C/01/406698 / FA RK 24-2971 (echtscheiding)
C/01/409411 / FA RK 24-4272 (huwelijksvermogensrecht)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 29 oktober 2025
in de zaak van:
[verzoekster],
volgens de huwelijksakte geheten:
[naam],
ingeschreven in [plaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. C.J. Lemmens,
e n
[verweerder],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.H. de Jong.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 11, binnengekomen op 19 juli 2024;
het verweerschrift van de man met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) en met bijlagen 1 tot en met 26;
het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, met bijlagen 12 tot en met 39;
het bericht namens de vrouw van 21 augustus 2024 met bijlage 1;
het bericht namens de man van 6 november 2024 met bijlage 4;
het bericht namens de man van 10 december 2024 met bijlage 20;
het bericht namens de man van 26 mei 2025 met bijlagen 17 tot en met 46;
et bericht namens de vrouw van 26 mei 2025 met bijlagen 40 tot en met 44;
de pleitnota van mr. De Jong van 13 juni 2025.
1.2.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat bij het bericht van de man van 26 mei 2025 een verschrijving heeft plaatsgevonden in de nummering van de bijlagen, doordat is begonnen met nummeren vanaf 17, terwijl dit 27 had moeten zijn. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank twee verschillende bijlagen 17 tot en met 26. Voor zover de rechtbank hierna verwijst naar de bijlagen 17 tot en met 26 zoals die zijn ingediend bij bericht van 26 mei 2025, zal de rechtbank die bijlagen daarom aanduiden als 17-2 tot en met 26-2.
1.3.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 13 juni 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.4.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd om te bekijken of zij via nader overleg alsnog tot overeenstemming konden komen. Dit overleg heeft niet tot een overeenstemming op alle punten geleid.
1.5.
Partijen hebben vervolgens nog de volgende stukken bij de rechtbank ingediend:
het bericht namens de vrouw van 11 juli 2025;
het bericht namens de man van 5 september 2025, met bijlagen 47 tot en met 51;
het bericht namens de vrouw van 5 september 2025, met bijlagen 45 tot en met 48.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De man en de vrouw zijn op 1 oktober 1989 in [plaats] Australië, met elkaar getrouwd.
2.2.
De vrouw heeft de Australische en de Nieuw-Zeelandse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Partijen hebben na hun huwelijk gezamenlijk in Australië gewoond. In 1991 zijn zij naar Nederland verhuisd.
2.4.
De man en de vrouw zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige [naam kinderen].
2.5.
De man en de vrouw hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opmaken.
2.6.
Op 10 januari 2025 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen tussen partijen, waarbij is bepaald dat de vrouw met ingang van 25 oktober 2024 een bedrag van € 1.534 per maand moet betalen als bijdrage in het levensonderhoud van de man.
Wat ligt voor?
2.7.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen, op 1 oktober 1989 te [plaats], Australië gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen, zodanig dat:
a) aan de vrouw wordt toebedeeld en toegescheiden, zonder nadere verrekening, het onroerend goed in Nieuw-Zeeland [adres]; de daarop rustende hypothecaire leningen en gekoppelde bankrekening bij Westpac New Zealand Limited met rekeningnummers […];
b) aan de man wordt toebedeeld en toegescheiden, zonder nadere verrekening, het bedrag ter hoogte van € 190.000,00, welk bedrag aanwezig is op de naam van de vrouw staande bankrekening bij ANZ New Zealand met nummer […];
c) aan de vrouw wordt toebedeeld en toegescheiden de op haar naam staande bankrekening bij ANZ New Zealand met nummer […] onder uitbetaling aan of verrekening met de man van zijn op deze bankrekening aanwezige erfenis van zijn vader ter hoogte van € 190.000,00;
d) aan de vrouw wordt toebedeeld en toegescheiden de polis bij Aegon met polisnummer […] onder de verplichting om aan de man te voldoen de helft van de waarde van deze polis per datum indiening van onderhavig verzoekschrift;
e) aan de vrouw wordt toebedeeld en toegescheiden de op haar naam staande bankrekeningen bij de ABN AMRO met rekeningnummers […] onder de verplichting aan de zijde van de vrouw om aan de man te voldoen de helft van de op deze bankrekeningen aanwezige saldi per datum indiening verzoekschrift, dan wel onder de verplichting aan de zijde van de man om aan de vrouw te voldoen de helft van het negatieve saldo/saldi op deze bankrekeningen per datum indiening verzoekschrift;
f) aan de vrouw wordt toebedeeld en toegescheiden de Toyota Yaris en de ter aankoop van deze personenauto door haar gesloten financiering, zonder nadere verrekening;
g) aan de man wordt toebedeeld en toegescheiden de op zijn naam staande bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer […] onder de verplichting aan zijn zijde om aan de vrouw te voldoen de helft van de op deze bankrekening aanwezige saldo per datum indiening verzoekschrift;
h) de man aan de vrouw nog dient te voldoen de helft van de op zijn bankrekening ontvangen belastingteruggaaf over het jaar 2023;
i) aan de man wordt toebedeeld en toegescheiden de woning aan de [adres] onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire leningen bij Obvion (met rekeningnummers […]) en onder de verplichting om aan de vrouw te voldoen de helft van de overwaarde, uitgaande van de door BijBrigitte (of een andere makelaar) recentelijk afgegeven taxatiewaarde van de woning aan de [adres];
j) de gezamenlijke bakrekeningen bij de ABN AMRO met rekeningnummers […] door partijen worden opgeheven onder aanvulling door partijen (ieder voor de helft) van de op deze bankrekeningen aanwezige negatieve saldi, dan wel onder de verplichting aan de zijde van de man om aan te vrouw te voldoen de helft van het door haar (ten behoeve van het opheffen van deze bankrekeningen) gedane aanvulling van het negatieve saldo/saldi;
k) de inboedel en de personenauto merk Ford Focus tussen partijen worden verdeeld overeenkomstig de daartoe door de vrouw als productie 10 overgelegde inboedelverdelingslijst onder de verplichting aan de zijde van de man aan de vrouw te voldoen het bedrag ter hoogte van € 15.463,00;
l) aan partijen ieder de helft van de over het jaar 2024 op ieders naam te ontvangen belastingteruggaaf of -aanslag toekomt;
III. deze beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.8.
De man voert verweer en verzoekt de rechtbank, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzoek van de vrouw onder I, om tussen partijen, gehuwd in [plaats] (Australië) op 1 oktober 1989, de echtscheiding uit te spreken, toe te wijzen;
II. het verzoek van de vrouw onder II, inhoudende de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap conform de door haar voorgestane wijze vast te stelen, af te wijzen;
althans een zodanige beslissing te nemen op de verzoeken van de vrouw als de rechtbank juist acht.
Daarnaast verzoekt de man, bij wijze van zelfstandige verzoeken, de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de echtscheiding
I. te bepalen dat de echtscheiding tussen partijen, gehuwd te [plaats] (Australië) op 1 oktober 1989, wordt uitgesproken;
Ten aanzien van het privévermogen van de man
II. te bepalen dat de door de man verkregen nalatenschap van zijn vader buiten de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt en de man uit dien hoofde een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van € 194.117,87, dan wel een vordering te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
III. de vrouw te veroordelen het bedrag van € 119.117,87, dan wel het bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, aan de man te betalen door storting op een door de man aan te wijzen bankrekening, uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van de in deze af te geven beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag tot de dag van algehele voldoening indien en voor zover de vrouw hiermee in gebreke zal blijven;
Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
IV. de (wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen als volgt, waarbij dient te gelden dat de peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap gelijk is aan de dag waarop de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden, te weten 18 juli 2024 en voorts te bepalen dat voor de waarde van de op dat moment tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende bestanddelen wordt aangesloten, zoals per vermogensbestanddeel is verzocht. En waarbij wordt bepaald dat de huwelijksgoederengemeenschap op 18 juli 2024 was samengesteld uit de in de randnummer 24 opgesomde vermogensbestanddelen:
a) de echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres];
b) de hypothecaire geldlening bij Obvion met rekeningnummers […];
c) de auto met het kenteken […] van het merk Ford Focus Wagon 1.0;
d) de auto van het merk Toyota Yaris;
e) de betaalrekening van de man en de vrouw bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […];
f) de spaarrekening van de man en de vrouw bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […];
g) de bankrekening op naam van de vrouw bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […];
h) de bankrekening op naam van de vrouw bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […];
i) de bankrekening op naam van de man bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […];
j) de polis bij Aegon met polisnummer […] op naam van de vrouw;
k) de woning in Nieuw-Zeeland [adres];
l) een hypothecaire geldlening bij Westpac New Zealand Limited met nummers […];
m) een bankrekening bij Westpac New Zealand Limited met nummer
[…];
n) de bankrekening bij ANZ New Zealand met nummer […];
o) inboedelgoederen in de echtelijke woning;
p) inboedelgoederen in Nieuw-Zeeland;
q) het huurrecht van de woning te [adres] (België).
te bepalen dat aan de man wordt toebedeeld:
-
vermogensbestanddelen ad a) en ad b) de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening
de woning aan de [adres] wordt toebedeeld aan de man, voor een bedrag van € 505.000,00, zonder nadere verrekening met de vrouw, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op deze woning rustende hypothecaire geldleningen bij Obvion met rekeningnummers […] ter hoogte van € 171.355,00;
-
vermogensbestanddeel ad c) de auto met het kenteken […] van het merk Ford Focus Wagon 1.0
de Ford Focus Wagon 1.0 met het kenteken […] tegen een waarde van € 4.000,00, zonder nadere verrekening met de vrouw;
-
vermogensbestanddeel ad i) de bankrekening en bijbehorend saldo bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […] t.n.v. de manvoornoemde bankrekening met het bijbehorende saldo, zonder nadere verrekening met de vrouw;
-
vermogensbestanddeel ad n) het saldo op de bankrekening bij ANZ New Zealand met rekeningnummer […] t.n.v. de vrouwvoor zover de rechtbank de door de man verkregen nalatenschap van zijn vader onverhoopt toch kwalificeert als een vermogensbestanddeel dat tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort: het saldo ad € 194.117,87 aanwezig op de bankrekening bij ANZ New Zealand met nummer […], zonder nadere verrekening met de vrouw;
-
vermogensbestanddeel ad o) de inboedel in de echtelijke woningde inboelgoederen in de echtelijke woning aan de [adres], zonder nadere verrekening met de vrouw;
te bepalen dat aan de vrouw wordt toebedeeld:
-
vermogensbestanddeel ad d) de auto van het merk Toyota Yaris
primair: de Toyota Yaris tegen een waarde van € 23.000, zdat de vrouw aan de man een bedrag van € 11.650,00 dient te voldoen;
subsidiair: in het geval sprake is van een geldleenovereenkomst ter financiering van de Toyota Yaris, dan de Toyota Yaris tegen een waarde van € 23.300 en onder de verplichting de geldleenovereenkomst als eigen schuld te voldoen, zowel de auto als de geldleenovereenkomst zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad g) de bankrekening en bijbehorend saldo bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […] t.n.v. de vrouwvoornoemde bankrekening met het bijbehorende saldo, zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad h) de bankrekening en bijbehorend saldo bij de ABN AMRO Bank met rekeningnummer […] t.n.v. de vrouwvoornoemde bankrekening met het bijbehorende saldo, zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad j) de Aegon polis met polisnummer […] t.n.v. de vrouwvoornoemde Aegon polis met het bijbehorende saldo, zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad k) en ad l) de woning en de daarop rustende hypothecaire geldleningde woning aan de [adres], New Zealand wordt toebedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening met de man, waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de deze woning rustende hypothecaire geldleningen bij Westpac New Zealand Limited met nummers […];
-
vermogensbestanddeel ad m) de bankrekening bij Westpac New Zealand Limited met rekeningnummer […] t.n.v. de vrouwvoornoemde bankrekening met het bijbehorende saldo, zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad n) de bankrekening bij ANZ New Zealand met rekeningnummer […] t.b.v. de vrouwvoornoemde bankrekening, onder de verplichting van de vrouw om aan de man het bijbehorende saldo ter hoogte van € 194.117,87 te voldoen;
-
vermogensbestanddeel ad p) de inboedel in de woning te Nieuw-Zeelandde inboedelgoederen in de woning te [adres], New Zealand, zonder nadere verrekening met de man;
-
vermogensbestanddeel ad q) huurrecht van de woning te [adres] (België)het huurrecht van de woning te [adres] (België);
te bepalen ten aanzien van de gezamenlijke betaal- en spaarrekening van partijen bij de ABN AMRO Bank
-
vermogensbestanddelen ad e) de betaalrekening met rekeningnummer […] t.n.v. partijen gezamenlijk en ad. f) de spaarrekening met rekening […] t.n.v. partijen gezamenlijkdat ten tijde van het indienen van onderhavig verweerschrift deze rekeningen zijn vervallen/opgeheven en partijen in dit kader niets meer van elkaar te vorderen hebben;
te bepalen dat ten aanzien van de aanslagen inkomstenbelasting 2022 en 2023
de man de aanslag 2022 ter hoogte van € 983,00 mag behouden, zonder nadere verrekening met de vrouw, en dat de vrouw de aanslag 2023 ter hoogte van € 1.350,00 mag behouden, zonder nadere verrekening met de man en partijen in dit kader niets meer van elkaar te vorderen hebben;
ten aanzien van de Vattenfall jaarnota 2022
vast te stellen dat de naheffing van de rekening bij Vattenfall van 2022 ter hoogte van € 1.919,00 door de man is voldaan, en de vrouw te veroordelen de helft van dit bedrag, zijnde € 959,50, aan de man te betalen door storting op een door de man aan te wijzen bankrekening, uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van de in deze af te geven beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag tot de dag van algehele voldoening indien en voor zover de vrouw hiermee in gebreke zal blijven;
althans een zodanige verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen als de rechtbank juist acht;
Ten aanzien van de partneralimentatie:
V. te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld om vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man te voldoen van € 4.292,00 bruto per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, steeds bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;
althans een zodanige beslissing met gelijke strekking te nemen op de zelfstandige verzoeken van de man als de rechtbank juist acht.
2.9.
De vrouw verzoekt de rechtbank de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen.
2.10.
Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen.

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, partijen zijn namelijk in [plaats], Australië, gehuwd en de vrouw heeft de Australische en de Nieuw-Zeelandse nationaliteit, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij bij de beoordeling van de verzoeken moet toepassen.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat in ieder geval de gewone verblijfplaats van de man als verwerende partij zich in Nederland bevindt. [1] De rechtbank zal op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht toepassen. [2]
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.4.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de man in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft en hij degene is die aanspraak maakt op partneralimentatie. [3] Om diezelfde redenen past de rechtbank het Nederlands recht toe. [4]
Inhoudelijke beoordeling
3.5.
De man verzoekt om een bijdrage van € 4.292 bruto per maand, met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Hij stelt dat hij behoefte heeft aan een dergelijke bijdrage en acht de vrouw in staat deze te betalen.
3.6.
De vrouw voert daartegen verweer. Zij betwist dat de man behoefte heeft aan een dergelijk bedrag en acht de man in staat voor een aanzienlijk deel zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verder betwist zij dat zij voldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te betalen. Tot slot stelt zij dat de man niet in een betere positie mag komen te verkeren na betaling van partneralimentatie.
Huwelijksgerelateerde behoefte
3.7.
Voor de berekening van de behoefte van de man hanteert de rechtbank de zogenoemde hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen als basis wordt genomen. Anders dan de vrouw heeft gesteld, ziet de rechtbank geen reden om een nadere onderbouwing door de man te verlangen. Dat de man lage woonlasten heeft en partijen tijdens het huwelijk veel geld uitgaven aan reizen naar Nieuw-Zeeland, is daarvoor onvoldoende. De gedachte achter de hofnorm is dat partijen tijdens het huwelijk samen een bepaald budget te besteden hadden en zij aan die welstand gewend zijn geraakt. Dat maar een beperkt deel van dat budget op ging aan woonlasten, doet aan die ervaren welstand niet af. Het gaat bij die ervaren welstand ook niet zozeer om welke specifieke uitgaven partijen deden, maar meer dat zij de ruimte hadden om bepaalde uitgaven te doen. Dat partijen er tijdens het huwelijk voor kozen om geregeld naar Nieuw-Zeeland te reizen en de man dat na de scheiding minder vaak zal doen, past binnen die keuzevrijheid. Dat wil nog niet zeggen dat de man behoefte zou hebben aan een lager bedrag.
3.8.
De rechtbank zal daarom de behoefte bepalen aan de hand van het netto-gezinsinkomen. Wat de hoogte van dat inkomen betreft, hebben partijen op de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat gerekend kan worden met de inkomsten in 2022.
3.9.
Wat het inkomen van de man betreft, rekenen beide partijen met een totaal bruto inkomen van de man van € 47.222 per jaar, zoals ook in de voorlopige voorzieningen was gedaan. Daarom stelt de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man conform die voorlopige voorzieningen vast op € 2.772 per maand.
3.10.
Wat het inkomen van de vrouw betreft, zijn partijen het eens over een arbeidsinkomen van € 48.126 bruto per jaar, maar verschillen zij van mening over de hoogte van de netto-inkomsten uit verhuur van de woningen in Nieuw-Zeeland. De rechtbank sluit voor de hoogte van die netto-inkomsten aan bij het bedrag waarmee in de voorlopige voorzieningen rekening is gehouden (€ 5.373 netto per jaar), waarmee het totale netto besteedbaar inkomen van de vrouw uitkomt op € 3.377 per maand. Daartoe overweegt de rechtbank dat de discussie tussen partijen (net als bij de voorlopige voorzieningen) vooral gaat over de vraag welke kosten moeten worden meegenomen. De vrouw heeft daarbij een aanzienlijk hoger bedrag aan kosten genoemd (totaal NZD 28.462) dan waarmee in de voorlopige voorzieningen rekening was gehouden (NZD 21.787,24). Zij heeft nagelaten om te onderbouwen waar die extra kosten precies op zien. Voor zover die kosten zouden zien op afschrijvingen, aflossingen op de hypotheek of juridische kosten, is de rechtbank van oordeel dat daar sowieso geen rekening mee zou moeten worden gehouden. Afschrijvingen betreffen namelijk geen daadwerkelijk gemaakte kosten, maar slechts een boekhoudkundige correctie. Ook aflossingen op de hypothecaire geldleningen kunnen niet als kosten worden gezien, maar betreffen in feite een verschuiving van vermogen, omdat daartegenover staat dat de schuld aan de bank lager wordt. De juridische kosten zouden tot slot zien op kosten die gemaakt zijn in verband met de aan- en verkoop van de woningen en hebben daarmee een incidenteel karakter. Om die redenen sluit de rechtbank aan bij de berekening zoals die bij de voorlopige voorzieningen is gemaakt.
3.11.
Gelet op het voorgaande bedroeg het netto-gezinsinkomen van partijen (2.772 + 3.377 =) € 6.149 per maand. De behoefte van de man bedraagt 60% daarvan, dus € 3.689 in 2022. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 4.314. [5]
Resterende behoefte
3.12.
De man ontvangt een WIA-uitkering. Volgens de bijlage die de man bij zijn pleitnota heeft overgelegd, bedraagt deze € 3.804,56 per maand inclusief vakantiegeld (75% WIA-loon). Daarnaast heeft de man beperkt inkomen uit arbeid. Uit de door hem als bijlage 21-2 overgelegde salarisspecificaties over de maanden februari, maart en april 2025 volgt een gemiddeld salaris (inclusief uitbetaalde vakantiedagen en overwerktoeslag) van € 706 per maand. Uit de brief van het UWV die bij de pleitnota van de man is gevoegd, blijkt dat 70% van dat inkomen (dus een bedrag van € 494,20) in mindering wordt gebracht op de WIA-uitkering. Om die reden zal de rechtbank rekenen met een WIA-uitkering van (3.804,56 -/- 494,20 =) € 3.310,36 en daarnaast met het inkomen uit arbeid van € 706 bruto per maand. Daarmee bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 2.772 per maand. [6]
3.13.
De vrouw heeft verder gesteld dat de man volledig zelf in zijn behoefte kan voorzien, omdat hij meer zou kunnen werken, zich vervroegd pensioen kan laten uitkeren en hij rente ontvangt over de erfenis van zijn vader. De rechtbank volgt de vrouw daarin niet. Het staat vast dat de man als gevolg van de bij hem geconstateerde kanker voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard door het UWV. Het siert de man dat hij desondanks een beperkt aantal uren heeft kunnen werken, maar het gaat te ver daaraan de conclusie te verbinden dat de man volledig zelf in zijn behoefte kan voorzien. Ook kan van de man niet worden verlangd dat hij zich nu vervroegd pensioen laat uitkeren. Een vervroegde pensioenuitkering zal namelijk ertoe leiden dat de man uiteindelijk een lager pensioen ontvangt, terwijl dat pensioen ook juist is bedoeld om te voorzien in zijn levensonderhoud nadat de verplichting tot partneralimentatie is gestopt. Tot slot houdt de rechtbank geen rekening met een eventuele rente over de erfenis van de vader van de man. In het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling heeft de vrouw steeds verklaard dat de rente opging aan de belasting die betaald moest worden over deze erfenis. Bovendien is dit bedrag gestald op een rekening op naam van de vrouw, zodat de man ook niet zelf hierover en de rente daarover kan beschikken. Ten aanzien van de erfenis zal de rechtbank hierna bij de vermogensrechtelijke afwikkeling een verdere beslissing nemen.
3.14.
Gezien het voorgaande gaat de rechtbank uit van een inkomen van de man van € 2.772 per maand. Daarmee kan hij niet volledig in zijn behoefte van € 4.314 per maand voorzien. Er resteert een bedrag van € 1.542 per maand. Rekening houdend met de belasting en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet die de man zal moeten betalen over de ontvangen partneralimentatie en het effect hiervan op zijn heffingskortingen, bedraagt zijn bruto resterende behoefte € 3.026 per maand. [7]
Draagkracht
3.15.
Wat het inkomen van de vrouw uit arbeid betreft, gaan partijen in hun laatste berekeningen (bijlage 44 van de vrouw en de bijlage van de man als bijgevoegd bij zijn pleitnota) beiden uit van de volgende gegevens:
  • Bruto arbeidsinkomen: € 4.674 per maand;
  • Vakantietoeslag: € 4.767 per jaar;
  • Inkomen uit overwerk: € 293 per maand;
  • 13e maand (bonus): € 2.806 per jaar;
  • Gratificatie/onkosten: € 546 per jaar;
  • Pensioenpremie: € 250 per maand;
3.16.
Wat het aanvullend pensioen betreft, rekent de man met een bedrag van € 219 per maand en de vrouw met € 225 per maand. Kijkend naar de cumulatieven op de loonstrook van april 2025 ten aanzien van de aanvullende (pensioen)premies komt de rechtbank eerder in de buurt van het door de man genoemde bedrag, zodat de rechtbank zal rekenen met € 219 bruto per maand.
3.17.
Verder verschillen partijen van mening of rekening moet worden gehouden met de uitbetaling van verlofuren. De rechtbank zal die uitbetaalde verlofuren niet meenemen in de berekening. De verlofuren die aan de vrouw zijn toegekend zijn namelijk primair bedoeld om de vrouw in staat te stellen meer uren vrij te zijn. Het is daarom een eigen vrije keuze van de vrouw om die uren op te nemen of uit te laten betalen. Van de vrouw kan niet worden verlangd dat zij voor de toekomst steeds deze uren laat uitbetalen om daar vervolgens een deel van de partneralimentatie van te betalen.
3.18.
Tot slot verschillen partijen van mening over de huurinkomsten van de vrouw. Daar speelt tussen partijen dezelfde discussie als hiervoor bij de bepaling van het netto besteedbaar inkomen in 2022 is weergegeven. Wat de huidige kosten betreft heeft de vrouw verwezen naar haar bijlage 42. Ten aanzien van de daar genoemde bedragen heeft de vrouw echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke kosten deze bedragen exact betrekking hebben. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, inhoudende onder meer dat geen kosten voor de aflossing, afschrijving en juridische kosten moeten worden meegenomen, had het op de weg van de vrouw gelegen een en ander verder inzichtelijk te maken. Dit geldt te meer nu in de voorlopige voorzieningen al kritische vragen bij deze posten zijn gesteld. Nu de vrouw dit heeft nagelaten en onder verwijzing naar wat de rechtbank over die diverse kosten hiervoor bij de behoefte (onder 3.10) heeft overwogen, zal de rechtbank voor de netto-huurinkomsten van de vrouw uitgaan van eenzelfde bedrag als in de voorlopige voorzieningen is gehanteerd, te weten € 5.373 netto per jaar. Daarmee komt de rechtbank op een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 4.177 per maand. [8]
3.19.
Voor het overige gaat de rechtbank evenals partijen bij de berekening van de draagkracht uit van het forfaitaire systeem zoals dat door de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak wordt aanbevolen. Dat houdt in dat de rechtbank rekent met een forfaitaire woonlast van 30% van het NBI en een vast bedrag aan kosten voor levensonderhoud van € 1.310 per maand meeneemt. Er blijft dan een bedrag over van € 1.614 per maand, waarvan 60% beschikbaar is voor partneralimentatie, dus € 968 per maand. Aangezien de vrouw in Nederland belastingplichtig is, kan zij de betaalde partneralimentatie opvoeren als aftrekpost in haar aangifte. Het fiscaal voordeel dat zij daarmee behaalt, telt de rechtbank op bij haar draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de vrouw in totaal op € 1.548 per maand. [9] Inkomensvergelijking
3.20.
Zoals hiervoor is overwogen heeft de man behoefte aan een bedrag van € 3.026 bruto, maar heeft de vrouw maar een draagkracht van € 1.548 per maand. Daarom ligt het in de rede dat de vrouw een bedrag van € 1.548 per maand aan partneralimentatie zou moeten betalen. Zij heeft echter gesteld dat de betaling van partneralimentatie er niet toe mag leiden dat de man meer te besteden over zou houden dan de vrouw. Uitgaande van de hiervoor genoemde inkomstengegevens van partijen berekent de rechtbank dat vanaf een partneralimentatie van € 1.311 per maand de man beter af zou zijn dan de vrouw. Om die reden beperkt de rechtbank de partneralimentatie tot dit bedrag van € 1.311 per maand. [10]
Conclusie
3.21.
Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank de vrouw om een bedrag van € 1.311 bruto per maand aan partneralimentatie aan de man te betalen, met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand,
De verdeling van de gemeenschap van goederen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.22.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek tot verdeling. [11]
3.23.
Aangezien partijen op 1 oktober 1989 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels die de Hoge Raad in zijn uitspraak van 10 december 1976 heeft geformuleerd. [12]
3.24.
Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Zij hadden geen gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting of kort daarna. In een dergelijk geval moet de rechtbank kijken naar het recht van het land waar partijen kort na het huwelijk hun eerste huwelijksdomicilie hadden. Dat is in dit geval Australië, omdat partijen daar na hun huwelijk zijn gaan wonen. Daarom past de rechtbank het Australisch recht toe.
Inhoud van het Australisch huwelijksvermogensrecht
3.25.
Voor heel Australië, waaronder [naam staat] waar partijen hebben gewoond, wordt het huwelijksvermogensrecht geregeld in de
Family Law Act 1975. Artikel 78 van die wet geeft de rechtbank in een gerechtelijke procedure tussen de echtgenoten de bevoegdheid ‘
to declare the title or rights, if any, that a party had in respect of the property’ (om een verklaring voor recht af te geven dat een goed eigendom is van een echtgenoot). Als de rechtbank een dergelijke verklaring afgeeft, heeft zij ook de bevoegdheid om onder meer de verkoop, verdeling of afgifte te bevelen. [13] Verder geeft artikel 79 van de Family Law Act 1975 aan de rechtbank een ‘
order’ (beschikking) af te geven als zij dat
‘appropriate’ (passend) acht, waarbij zij wijzigingen mag aanbrengen in de belangen van de echtgenoten of een van hen in het aanwezige vermogen (‘
altering the interest of the parties in the property’). Dit dient de rechtbank alleen te doen als zij dat, gelet op alle omstandigheden, ‘
just and equitable’ (eerlijk en rechtvaardig) acht. [14] Daarbij dient de rechtbank onder andere rekening te houden met de financiële en niet-financiële bijdragen van iedere echtgenoot tot het aanwezige vermogen en de toekomstige behoeftes van de echtgenoten, gelet op hun leeftijd, gezondheid, verdiencapaciteit en pensioen. [15] Aan de rechtbank komt dus een ruime bevoegdheid toe om een regeling te treffen, waarbij de rechtbank niet gebonden is aan de huidige tenaamstelling van de verschillende goederen.
3.26.
Zoals ook beide partijen na raadpleging van hun Australische advocaten hebben gesteld, betekent een en ander dat de rechtbank vier stappen dient te volgen om te komen tot een dergelijke beschikking (al hanteren partijen net een andere volgorde daarin):
a) Inventarisatie van al het aanwezige vermogen;
b) Beoordelen van de (niet-) financiële bijdrage van ieder van partijen in dat vermogen;
c) Beoordelen van de toekomstige behoeftes van partijen;
d) Algemene redelijkheidstoets. [16]
3.27.
Bij de beoordeling van het aanwezige vermogen en de mate waarin ieder van de echtgenoten daarin heeft bijgedragen, zijn er grofweg twee benaderingen te onderscheiden: de
pools approachen de
broad approach. Bij de
pools approachkunnen vermogensbestanddelen waaraan slechts een van de echtgenoten heeft bijgedragen worden ondergebracht in een aparte
pool,bijvoorbeeld een
inheritance pool(erfrechtelijke
pool). Die bestanddelen hoeven dan niet met de andere echtgenoot gedeeld te worden, terwijl het overige vermogen in een
global poolterechtkomt en wel met elkaar gedeeld moet worden. Bij de
broad approachmaakt de rechtbank daarentegen geen onderscheid in verschillende
pools; al het vermogen wordt als het ware op één hoop geveegd. Het verschil in de (niet-)financiële bijdrage kan daarbij wel leiden tot een andere, niet-gelijke, verdeling van dat vermogen. Tot slot kan de beoordeling van de toekomstige behoeftes van partijen en de algemene redelijkheidstoets ook leiden tot een andere verdeling van al het aanwezige vermogen (bij de
broad approach), dan wel tot een andere verdeling van de
global pool(bij de
pools approach).
Het debat tussen partijen
3.28.
Tussen partijen bestaat weinig discussie over de vraag welke vermogensbestanddelen aanwezig zijn, al verschillen zij wel van mening over de waarde van een aantal van die vermogensbestanddelen. Het voornaamste geschil ziet op de vraag in hoeverre zij de door hen ontvangen erfenissen met elkaar moeten delen. Op die discussie zal de rechtbank hierna allereerst ingaan. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of de toekomstige behoeftes van de echtgenoten of andere omstandigheden tot een andere verdeling moeten leiden. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de waardes van alle vermogensbestanddelen en op welke wijze partijen delen in dit vermogen.
Wel of geen onderverdeling in pools vanwege ontvangen erfenissen?
3.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in 2011 een erfenis van haar moeder heeft ontvangen van 189.000 Australische dollars (AUD) en dat zij in 2013 een erfenis van haar tante heeft ontvangen van 25.000 AUD, zoals is beschreven in de
legal opinion, die zij als bijlage 3 heeft overgelegd. In totaal gaat het dus om een bedrag van 214.000 AUD aan geërfd geld. Om een beeld te krijgen van wat dit in euro’s is, heeft de rechtbank dit bedrag omgerekend naar de gemiddelde koers in 2013 van 1 AUD = € 0,729. [17] Dat komt neer op ongeveer € 156.000. Over wat er daarna met die erfenissen is gebeurd, verschillen partijen van mening. De vrouw stelt dat zij van de erfenis van haar moeder een appartement in Nieuw-Zeeland heeft gekocht. Daarna heeft zij nog twee panden aangekocht, waarbij zij voor deze panden hypothecaire geldleningen heeft afgesloten, met haar eerste (en voor het laatste pand ook haar tweede) appartement als onderpand. Verder stelt ze dat in 2020 en 2021 de drie panden zijn verkocht en zij met de daarmee gerealiseerde overwaarden de woning aan [adres] (Nieuw-Zeeland) heeft gekocht voor 730.000 Nieuw-Zeelandse dollars (NZD) en voor het restant-aankoopbedrag een hypothecaire geldlening van 99.000 NZD is aangegaan. De man betwist dat de vrouw de genoemde onroerende zaken steeds enkel met de door haar ontvangen erfenissen heeft gekocht.
3.30.
Verder is tussen partijen niet in geschil dat de man een erfenis van zijn vader heeft ontvangen in 2019 van ongeveer € 190.000. Dit bedrag is overgemaakt op de bankrekening op naam van de vrouw bij ANZ met rekening[nummer], maar inmiddels overgeboekt naar een depositorekening op naam van de vrouw. Verder is er discussie tussen partijen over de vraag wat er met de over de erfenis ontvangen rente is gebeurd.
3.31.
Partijen verschillen van mening wat er met de hiervoor genoemde erfenis van de vader en de woning van de vrouw in Nieuw-Zeeland moet gebeuren.
3.32.
De man stelt dat zijn erfenis met de daarover ontvangen rente in een aparte
inheritance poolmoeten komen, zodat hij deze niet met de vrouw hoeft te delen. De woning in Nieuw-Zeeland die de vrouw deels middels haar erfenissen heeft verkregen, zou daarentegen in een
global poolmoeten vallen, zodat de man meedeelt in de waarde daarvan. Ter onderbouwing voert hij samengevat aan dat de vrouw haar erfenis veel eerder heeft ontvangen dan hij en partijen daar dus samen gedurende het huwelijk van hebben geprofiteerd. Ook heeft hij mede-geïnvesteerd in de door de vrouw aangekochte panden. Zo zou hij een ontvangen ontslagvergoeding van € 62.000 daarvoor hebben aangewend, althans in ieder geval bedragen van € 9.500 en € 4.500. Ook zijn diverse kosten van deze woningen van de gezamenlijke rekeningen van partijen betaald en heeft de man met diverse bedragen bijgedragen in de kosten van de hypotheek in de periodes dat de woningen niet werden verhuurd. Zijn erfenis is daarentegen altijd strikt gescheiden geweest van het overige vermogen van partijen. Ook heeft zijn vader (anders dan de moeder en tante van de vrouw) in zijn testament uitdrukkelijk opgenomen dat de nalatenschap buiten een huwelijksgoederengemeenschap zou moeten vallen. Voor zover de rechtbank niet overgaat tot een indeling in aparte
pools, stelt de man dat hij dan in ieder geval gerechtigd is tot 60% van het totale vermogen om zo een en ander recht te trekken.
3.33.
De vrouw stelt daarentegen dat beide erfenissen hetzelfde moeten worden behandeld en wel primair dat zij in aparte
inheritance poolsvallen. Op die manier hoeft de man zijn erfenis niet met de vrouw te delen, maar hoeft de vrouw de (overwaarde van de) woning in Nieuw-Zeeland niet met de man te delen. Samengevat voert zij daartoe aan dat zoals hiervoor onder 3.29 is weergegeven, zij haar erfenis heeft gebruikt om (uiteindelijk) de woning in Nieuw-Zeeland aan te kopen. Daarmee heeft alleen zij bijgedragen aan dat deel van het vermogen, zodat zij de waarde daarvan niet met de man hoeft te delen. Zij betwist daarbij dat de man zijn ontslagvergoeding of andere bedragen hierin heeft geïnvesteerd. Volgens de vrouw was dit ook niet nodig, omdat de woningen steeds verhuurd waren. Ook zou de moeder van de vrouw de bedoeling hebben gehad dat de erfenis buiten een huwelijksgoederengemeenschap zou blijven, al heeft ze dat niet in een testament vastgelegd. Daarbij zou de vader van de man juist de uitsluitingsclausule alleen hebben opgenomen om te voorkomen dat een van de broers van de man de erfenis moest delen met een (ex-)echtgenote.
3.34.
Anders dan partijen betogen, kiest de rechtbank ervoor geen aparte
inheritance poolsaan te houden. Uit de jurisprudentie die partijen hebben aangehaald ter onderbouwing van hun standpunten, volgt dat iedere zaak uniek is en moet worden beoordeeld aan de omstandigheden van dat geval. Anders dan in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht is er geen algemene regel te herleiden dat een erfenis buiten het huwelijksvermogen wordt gehouden, ook niet als de erflater dat met zoveel woorden heeft opgenomen in een testament. Daarbij merkt de rechtbank voor de goede orde op dat in de zaak
Rigby vs Kingston, waar beide partijen in dat verband naar verwijzen, de ene ex-echtgenoot (de man) niet meedeelde in de erfenis van de ander (de vrouw) omdat deze was vervat in een trust, waarin de vrouw geen overwegende zeggenschap had. Daarmee wijkt die zaak significant af van de onderhavige, waarin beide partijen volledige controle hebben over hun erfenissen.
Of het geld uit een erfenis apart wordt gehouden, hangt vervolgens af van een aantal factoren. Een van die factoren, die bijvoorbeeld aan bod komt in
Marcel vs Garrigan, is het moment waarop de erfenis in het vermogen van partijen is gekomen. Voor beide partijen geldt dat de erfenissen tijdens het huwelijk zijn ontvangen. Weliswaar heeft de vrouw haar erfenissen jaren eerder ontvangen dan de man, maar ook de man heeft zijn erfenis ruim (enkele jaren) voor de start van de echtscheidingsprocedure ontvangen. In het moment van ontvangst ziet de rechtbank dan ook geen reden waarom de erfenis van de man wel buiten een verdeling moet worden gehouden en die van de vrouw niet. Ook is van belang wat partijen vervolgens met de ontvangen erfenissen hebben gedaan. Daarvoor geldt bij beide erfenissen dat er een zekere mate van vermenging is opgetreden. Zo heeft de vrouw panden aangeschaft, waarbij in ieder geval voor twee appartementen en de huidige woning in Nieuw-Zeeland ook hypothecaire geldleningen zijn aangegaan. Dat de kosten van die panden, en de rente en aflossingen van de hypothecaire geldleningen in het bijzonder, daarvan volledig zijn betaald uit de huuropbrengsten is niet komen vast te staan, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man. Wat de erfenis van de man betreft, is deze weliswaar op een aparte rekening geplaatst, maar wel op naam van de vrouw. Vervolgens hebben verschillende overboekingen plaatsgevonden en is onduidelijk wat er met de rente daarover is gebeurd. Als partijen hun erfenissen strikt gescheiden hadden willen houden, had het op hun weg gelegen om dat strikt te documenteren. Nu zij dat niet hebben gedaan en er een zekere mate van vermenging is opgetreden, ziet de rechtbank daarin aanleiding om geen onderverdeling in
poolste maken. Tot slot speelt ook de hoogte van de erfenissen een rol, ook in relatie tot het totale aanwezige vermogen. Hier heeft de vrouw een lager bedrag aan erfenis ontvangen dan de man. Daar staat tegenover dat zij dit bedrag eerder heeft ontvangen en door de investering in onroerende zaken hierover een rendement is behaald, waardoor dit aanvankelijke verschil teniet is gedaan. Al deze omstandigheden samen maakt dat de rechtbank geen reden ziet om de erfenissen gescheiden te houden, noch om vanwege deze erfenissen het vermogen van partijen anders dan gelijk te verdelen.
Andere redenen voor een niet-gelijke verdeling?
3.35.
Omdat de rechtbank niet toekomt aan een verdeling in afzonderlijke pools in het aanwezige vermogen in zijn totaliteit zal beoordelen, rest de vraag of er (naast de al behandelde erfenissen) redenen aanwezig zijn om te komen tot een andere verdeling dan een gelijke (50-50).
3.36.
Anders dan de man heeft gesteld, ziet de rechtbank geen reden waarom aan de man een groter deel zou moeten toekomen dan de vrouw. Allereerst zijn partijen het erover eens dat zij qua inkomen, zorg voor de kinderen en het huishouden in gelijke mate hebben bijgedragen. Dat rechtvaardigt dus ook een gelijke verdeling van het vermogen. De man heeft verder gesteld dat hij vanwege gezondheidsproblemen minder inkomen na de scheiding zal hebben en dus op basis van zijn toekomstige behoefte hem een hoger bedrag toekomt. De rechtbank volgt de man daarin niet, Weliswaar heeft de man nu een lager inkomen dan de vrouw, maar dat wordt al rechtgetrokken door de partneralimentatie die de vrouw zal moeten betalen, zoals hiervoor is overwogen. Daarnaast naderen beide partijen hun pensioengerechtigde leeftijd en zullen zij dan de door hen opgebouwde pensioenen met elkaar moeten verevenen. Daarmee zullen hun inkomsten ook min of meer gelijk zijn. Daarnaast heeft de man nog gesteld als reden voor een groter aandeel voor de man, dat de vrouw in de laatste jaren van huwelijk een bedrag van ongeveer € 72.000 van het huwelijksvermogen heeft uitgegeven aan hotelovernachtingen en dat dat tot een andere verdeling moet leiden. Dit heeft de vrouw echter gemotiveerd betwist en de man heeft dit onvoldoende nader onderbouwd. De tien facturen die de man als bijlage 45 heeft overgelegd, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Niet alleen komt het totaal van die facturen niet in de buurt van het genoemde bedrag en is daar op zichzelf geen patroon uit af te leiden, maar ook heeft de vrouw daarover verklaard dat deze overnachtingen in het kader van haar werk waren. Tot slot heeft de man nog gesteld dat de vrouw informatie achterhoudt over overig vermogen in Australië of Nieuw-Zeeland, maar ook dat heeft de vrouw betwist, zodat de rechtbank daarin geen reden ziet om tot een andere verdeling te komen.
Inventarisatie van het vermogen
3.37.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van het totale aanwezige vermogen. De rechtbank zal hierna de waardes van de verschillende bestanddelen vaststellen om zo tot een totaal vermogen te komen.
3.38.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen nader overleg gevoerd over de omvang en waarde van het aanwezige vermogen. Zij hebben daarbij overeenstemming bereikt over een groot deel van de bestanddelen. Deze overeenstemming hebben zij vastgelegd in een Excel-bestand dat de vrouw als bijlage 45 en de man als bijlage 47 heeft overgelegd. Als peildatum voor de waardering en de omrekenkoers van NZD naar euro’s hebben zij 16 juni 2025 gehanteerd. Van die datum en omrekenkoers (1 NZD = € 0,524) zal de rechtbank daarom ook uitgaan voor de overige bestanddelen.
Overeenstemming over gezamenlijk vermogen
3.39.
Partijen zijn het eens over de volgende gemeenschappelijke bestanddelen met de volgende waardes:
Aan de activa-zijde:
de woning aan de [adres] te [plaats] met een waarde van € 560.000;
de bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer […] met waarde € 0 (opgeheven);
de bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer […] met waarde € 0 (opgeheven).
Aan de passiva-zijde:
de hypothecaire geldleningen bij Obvion, te weten:
i. nummer [...] van € 166.263,50;
ii. nummer [...] van € 1.272,16;
Overeenstemming over vermogen van de vrouw
3.40.
Ook zijn partijen het eens over de volgende vermogensbestanddelen en hun waarde aan de kant van de vrouw:
Aan de activa-zijde:
een bankrekening bij Westpac New Zealand Limited met nummer […] met een waarde van NZD 3.046,79, oftewel € 1.596,52;
een bankrekening bij ANZ New Zealand met nummer […] met een waarde van NZD 3.786,27, oftewel € 1.984,01;
een depositorekening bij ANZ met nummer […] met een waarde van NZD 324.977,22, oftewel € 170.288,06;
een foreign currency account bij ANZ met nummer […] met een waarde van € 0;
en bankrekening bij de ABN Amro met nummer […] met een waarde van € 0;
Aan de passiva-zijde:
een bankrekening bij de ABN Amro met nummer […] met een waarde van
-/- € 885,33;
de hypothecaire geldleningen bij Westpac New Zealand Limited, te weten:
i. nummer […] van NZD 39.884,22 oftewel € 20.899,33;
ii. nummer […] van NZD 53.571,36 oftewel € 28.071,39;
iii. nummer […] van NZD 4.303,61 oftewel € 2.255,09;
een lening voor de aankoop van de Toyota Yaris van € 20.403,05
3.41.
Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op partijen het erover eens zijn dat de eerder in de stukken genoemde polis van de vrouw bij Aegon met nummer […] in januari 2025 tot uitkering is gekomen voor een bedrag van € 3.200,01 en dat dit bedrag al onderdeel uitmaakt van het saldo van de hiervoor genoemde rekening bij ABN Amro met nummer […].
Overeenstemming over vermogen van de man
3.42.
Tot slot zijn partijen het eens over het vermogen aan de zijde van de man bestaande uit een bankrekening bij ABN Amro met nummer […] en een waarde van € 478,33.
Toekomstige belastingaanslagen en -teruggaven
3.43.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat partijen op de mondelinge behandeling het eens zijn geworden dat zij nog te ontvangen belastingteruggaven of nog te betalen belastingaanslagen over 2024 met elkaar zullen delen respectievelijk gezamenlijk zullen betalen.
Discussiepunten
3.44.
Uit hun berichten van 5 september 2025 volgt dat partijen het niet eens zijn geworden over (de waarden van) vijf bestanddelen. Voor zover er eerder in de stukken nog andere bestanddelen werden genoemd, gaat de rechtbank er dan ook van uit dat daarover inmiddels geen discussie meer is en geen beslissing van de rechtbank wordt verlangd. De vijf bestanddelen waarover nog discussie bestaat, zijn:
de woning op naam van de vrouw aan het [adres] (Nieuw-Zeeland);
de Ford Focus Wagon 1.0 op naam van de man;
de Toyota Yaris op naam van de vrouw;
e inboedel van de woning in [plaatsnaam];
de inboedel van de huurwoning in België.
3.45.
De waarde van de woning in Nieuw-Zeeland bepaalt de rechtbank op € 400.000. Daarmee sluit de rechtbank aan bij de door de man in zijn bericht van 26 mei 2025 gestelde waarde. Deze waarde is gebaseerd op de omgerekende aankoopprijs van de woning in 2022. Weliswaar heeft de vrouw betwist dat van die waarde moet worden uitgegaan, maar dat heeft zij onvoldoende gemotiveerd gedaan. Aanvankelijk heeft zij volstaan met een kale betwisting. Na de mondelinge behandeling heeft zij als bijlage 48 een taxatie overgelegd, waaruit een aanzienlijk lagere waarde zou volgen (NZD 530.000, oftewel € 262.750). Die taxatie is echter niet tot stand gekomen na bezichtiging door een taxateur, maar is door een computer gegeneerd, zoals volgt uit pagina 9 van het taxatierapport. Bovendien heeft de man eenzelfde soort taxatie overgelegd (bijlage 48), waaruit een veel hogere waarde volgt (NZD 680.000). Gelet daarop acht de rechtbank de betrouwbaarheid van een dergelijke algemene taxatie dan ook gering. Verder heeft de vrouw nog krantenartikelen overgelegd over dalende huizenprijzen in Nieuw-Zeeland, maar ook dat is vrij algemeen en ziet op landelijke gemiddelden. In de genoemde taxaties van partijen is ook vermeld dat dit regionaal sterk verschilt (pagina’s 5 van de rapporten) en dat de huizenprijzen in het district waar de woning ligt het afgelopen jaar en kwartaal juist zijn gestegen. Nu de vrouw heeft nagelaten een officiële, door een taxateur zelf uitgevoerde, taxatie te overleggen, zal de rechtbank uitgaan van een waarde van € 400.000.
3.46.
De waarde van de Ford Focus bepaalt de rechtbank op € 5.500. Daarmee wijkt de rechtbank af van de door de man genoemde waarde van € 3.800 als de door de vrouw overgelegde koerslijsten (bijlage 47) waarin een waarde tussen de € 7.400 en € 9.900 wordt genoemd. De rechtbank acht het enerzijds niet redelijk om uit te gaan van die hogere koerswaardes, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat er schade aan de auto is en er al veel kilometer mee is gereden. Anderzijds heeft de man niet nader onderbouwd dat de waarde van Ford Focus hiermee zou zijn gedaald tot een bedrag van € 3.800. Dit volgt in ieder geval niet uit zijn bijlage 49, waarin hogere waardes worden genoemd dan het door de man genoemde bedrag. Rekening houdend met de stelling dat er schade is aan de auto en er al een groot aantal kilometers is gereden, bepaalt de rechtbank de waarde van de auto in redelijkheid op € 5.500.
3.47.
De waarde van de Toyota Yaris bepaalt de rechtbank op eenzelfde bedrag als de door partijen gehanteerde stand van de lening, te weten € 20.403,05. Deze waarde valt binnen de range van de waardes (tussen de € 18.800 en € 21.800) als vermeld in de door partijen overgelegde koerslijsten (bijlagen 46 en 50). Door de waarde gelijk te stellen aan het bedrag van de lening, vindt als het ware een verdeling met gesloten beurzen plaats, wat overeenkomt met het voorstel dat de man had gedaan in zijn verweerschrift met zelfstandig verzoek.
3.48.
De waardes van de beide inboedels stelt de rechtbank aan elkaar gelijk. Weliswaar heeft de man gesteld dat de inboedel van de woning in België veel meer waard is dan de inboedel in [plaatsnaam], maar dat heeft hij onvoldoende onderbouwd. Hij heeft volstaan met een aantal rekeningen van meubilair en een computer (bijlage 51), maar dat ziet maar op een klein deel van de inboedel. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat inboedelgoederen en computers na aanschaf snel in waarde dalen. Daartegenover heeft de vrouw als bijlage 10 een lijst overgelegd van de in [plaatsnaam] aanwezige inboedel. Gelet op die hoeveelheid aan zaken, acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing van de man niet aannemelijk dat de inboedel in België significant meer waard zal zijn dan de inboedel in [plaatsnaam]. Omdat de rechtbank hierna de inboedel in België aan de vrouw zal toedelen en de inboedel in [plaatsnaam] aan de man, kunnen de waardes van deze inboedels tegen elkaar worden weggestreept en zal de rechtbank deze niet afzonderlijk benoemen in het vermogensoverzicht.
Tussenconclusie over totale waarde vermogen
3.49.
De hiervoor genoemde waardes heeft de rechtbank in een overzicht opgenomen, dat als bijlage aan deze beschikking is gehecht. Daaruit volgt dat het totale vermogen van partijen € 920.200,11 bedraagt. [18] Zoals eerder is overwogen, heeft ieder van partijen recht op de helft van die waarde, dus een bedrag van € 460.100,06. De vraag is vervolgens hoe ieder van partijen zijn of haar deel hiervan verkrijgt. Daarvoor zal de rechtbank zich eerst uitlaten over de verdeling van de gezamenlijke bestanddelen.
Verdeling gezamenlijke vermogensbestanddelen
3.50.
De gemeenschappelijke bestanddelen die nog verdeeld moeten worden, zijn de woning in [plaatsnaam], de daarbij behorende inboedel en de inboedel van de huurwoning in België. Daarnaast zijn partijen gezamenlijk schuldenaar voor de hypothecaire geldleningen bij Obvion, die verbonden zijn aan de woning in [plaatsnaam]. Voor die leningen zal de rechtbank de onderlinge draagplicht van partijen vaststellen. Van de overige leningen die hiervoor aan bod zijn gekomen is niet gebleken dat partijen daar gezamenlijk schuldenaar dan wel gezamenlijk aansprakelijk voor zijn, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen.
3.51.
Zoals hiervoor al is vermeld, zal de rechtbank de inboedel van de woning in [plaatsnaam] aan de man toedelen en de inboedel van de huurwoning in België aan de vrouw tegen gelijke waardes.
3.52.
Wat de woning in [plaatsnaam] en de daarop rustende hypothecaire geldleningen betreft, zijn partijen het er over eens dat de man de mogelijkheid moet krijgen om de woning over te nemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen. Daarom zal de rechtbank de woning aan de man toedelen tegen de waarde van € 560.000 en bepalen dat hij na overname van de woning alleen draagplichtig is voor de hypothecaire geldleningen. Omdat nog niet helemaal zeker is dat de bank de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid verbindt de rechtbank daaraan de ontbindende voorwaarde dat de vrouw binnen zes maanden nadat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien ontslag uit deze hoofdelijke aansprakelijkheid niet heeft plaatsgevonden, dan vervalt deze toedeling en dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde. In dat geval moeten partijen de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en voldoening van de verkoopkosten, bij helfte met elkaar delen.
Eerlijke en rechtvaardige verdeling
3.53.
Uitgaande van de situatie dat de man de woning overneemt, bedraagt het totale vermogen aan de kant van de man € 398.422,67. Het totale vermogen aan de kant van de vrouw bedraagt dan € 521.757,44. Om ervoor te zorgen dat ieder van partijen een gelijk aandeel heeft in het totale vermogen, dient de vrouw aan de man een bedrag van € 61.657,39 te betalen. De rechtbank zal daarom de vrouw veroordelen tot betaling van dit bedrag bij overdracht van de woning aan de man. Voor het overige vermogen is dan geen beslissing meer nodig, want ieder van partijen houdt het vermogen dat op zijn of haar naam staat. Voor zover partijen in dat kader om een verdeling hebben verzocht, wijst de rechtbank die verzoeken af.
3.54.
Indien de man niet in staat blijkt om de woning over te nemen, dan vervalt het voorgaande. In dat geval dient namelijk de woning verkocht te worden en dienen partijen (kort gezegd) de overwaarde met elkaar te delen, waardoor de rekensom er anders komt uit te zien. In dat geval zal de vrouw aan de man een bedrag van € 257.889,56 moeten betalen om te bewerkstelligen dat ieder een gelijk bedrag aan vermogen overhoudt. Ze krijgt dan wel de helft van de overwaarde van de woning in [plaatsnaam]. Daartoe verwijst de rechtbank naar het ‘vermogensoverzicht (bij verkoop woning)’ dat als bijlage bij deze beschikking is gevoegd. [19]
3.55.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vrouw veroordelen om bij overdracht van de woning aan de man een bedrag te betalen van € 61.657,39 en in geval van verkoop en levering van de woning aan een derde een bedrag van € 257.889,56.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.56.
De rechtbank verklaart de beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissing direct geldt ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding en de partneralimentatie verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing over de echtscheiding geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is. Wat de partneralimentatie betreft, geldt dat de partneralimentatie zoals die in de voorlopige voorzieningen was bepaald van kracht blijft totdat de beslissing over de partneralimentatie in deze procedure in kracht van gewijsde is gegaan. Om te voorkomen dat er gelijktijdig twee verschillende bedragen aan partneralimentatie gelden, zal de rechtbank de beslissing over de partneralimentatie in deze procedure niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Proceskosten
3.57.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op 1 oktober 1989 in [plaats] Australië;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.311 bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
4.3.
bepaalt dat de vrouw deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.4.
stelt de verdeling van de woning aan de [adres] en de draagplicht voor de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij Obvion als volgt vast:
i. deelt de woning toe aan de man tegen een waarde van € 560.000;
ii. bepaalt dat de man na levering van de woning alleen draagplichtig is voor de lasten verbonden aan de hypothecaire geldleningen;
iii. verbindt aan deze toedeling de ontbindende voorwaarde dat deze toedeling komt te vervallen, indien de vrouw niet binnen zes maanden nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
iv. indien de hiervoor genoemde ontbindende voorwaarde wordt vervuld, dan gelast de rechtbank de wijze van verdeling van de woning, in die zin dat de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij partijen de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en voldoening van de verkoopkosten, bij helfte met elkaar moeten delen;
4.5.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen:
  • in geval van overdracht van de woning aan de [adres] aan de man: een bedrag van € 61.657,39, OF;
  • in geval van verkoop en levering van de woning aan de [adres] aan een derde: een bedrag van € 257.889,56;
  • te voldoen bij overdracht van de woning aan de man dan wel aan een derde;
4.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissingen over de echtscheiding en de partneralimentatie;
4.7.
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
4.8.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. B. Krijnen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlagen:
Indexering huwelijksgerelateerde behoefte
Resterende behoefte
Draagkracht
Inkomensvergelijking
Vermogensoverzicht
Vermogensoverzicht (bij verkoop woning)
Bijlage 1: indexering huwelijksgerelateerde behoefte
Bijlage 2: resterende behoefte
Bijlage 3: draagkracht
Bijlage 4: inkomensvergelijking
Bijlage 5: vermogensoverzicht
Bijlage 6: vermogensoverzicht (bij verkoop woning)

Voetnoten

1.Artikel 3 sub a, onder iii, van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (“Brussel II-ter”).
2.Artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 3 sub b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 (“Alimentatieverordening”).
4.Artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. artikel 3 lid 1 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
5.Bijlage 1: indexering huwelijksgerelateerde behoefte.
6.Bijlage 2: resterende behoefte.
7.Zie bijlage 2.
8.Bijlage 3: draagkracht.
9.Zie bijlage 3.
10.Bijlage 4: inkomensvergelijking.
11.Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 (“Huwelijksvermogensverordening”).
12.HR 10 december 1976,
13.Artikel 78 lid 2 van de Family Law Act 1975.
14.Artikel 79 lid 1 en 2 van de Family Law Act 1975.
15.Artikel 79 lid 4 jo. artikel 75 lid 2 van Family Law Act 1975.
17.www.poundsterlinglive.com/history/AUD-EUR-2013.
18.Bijlage 5: vermogensoverzicht.
19.Bijlage 6: vermogensoverzicht (bij verkoop woning).