De voorzieningenrechter van Rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet. De burgemeester had besloten de woning voor drie maanden te sluiten vanwege vermoedens van drugshandel en de aanwezigheid van munitie, pepperspray en zwaar vuurwerk. Verzoeker, die de woning huurt, maakte bezwaar en vroeg om schorsing van de sluiting totdat op bezwaar was beslist.
Uit het dossier bleek dat de politie onderzoek had gedaan naar personen die in de woning verbleven en betrokken waren bij harddrugsdealactiviteiten. Bij de doorzoeking werden onder meer hennepplanten, kleine hoeveelheden cocaïne en hasj, munitie en vuurwerk aangetroffen. Echter, er was weinig bewijs dat er daadwerkelijk handel in harddrugs vanuit de woning plaatsvond. Ook ontbraken typische handelsattributen zoals weegschalen en contant geld. De burgemeester baseerde de sluiting op twee wettelijke grondslagen, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat die combinatie niet rechtsgeldig was en had ernstige twijfels over beide grondslagen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor verzoeker, maar dat het besluit evident onrechtmatig was. De sluiting werd daarom geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot terugbetaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan verzoeker. De uitspraak is bindend en er staat geen hoger beroep open.