ECLI:NL:RBOBR:2025:913
Rechtbank Oost-Brabant
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde twee-onder-een-kapwoning met toepassing vergelijkingsmethode
Eiser, eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1973, betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €425.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld met toepassing van de vergelijkingsmethode, waarbij drie vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht als referentie zijn gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat een vergelijking met WOZ-waarden van niet-verkochte woningen of eerdere belastingjaren niet aan de orde is. Het beroep op de meerderheidsregel faalt omdat de woningen niet identiek zijn, wat de heffingsambtenaar met een matrix heeft onderbouwd. De verschillen in WOZ-waarden zijn verklaard door verschillen in bijgebouwen en staat van onderhoud.
Eiser stelt dat de vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn vanwege een gedateerde keuken, badkamer en toilet. De rechtbank volgt dit niet, omdat de taxatie rekening houdt met een matig voorzieningenniveau en een afwaardering van €17.000. De door eiser voorgestelde lagere waarden zijn onvoldoende onderbouwd en zaaien geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde WOZ-waarde.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Partijen is gewezen op het recht tot hoger beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €425.000 wordt ongegrond verklaard.