Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1089

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
SHE 25/3306
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen werkzaamheden nabij Natura 2000 gebied

Verzoekers hebben een handhavingsverzoek ingediend tegen omvangrijke werkzaamheden aan riolering en wegen nabij hun perceel in een Natura 2000 gebied. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant wees dit verzoek af, waarna verzoekers een voorlopige voorziening vroegen om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers belanghebbenden zijn vanwege hun nabijheid tot de werkzaamheden en het spoedeisend belang van hun verzoek. De kernvraag was of de werkzaamheden een nieuw project vormen of een voortzetting van een bestaand project. Hierbij werd het beoordelingskader van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State toegepast.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de werkzaamheden, waaronder vervanging van riolering en aanpassing van wegen, geen nieuwe identiteit of continuïteit vormen, maar een voortzetting van het bestaande project zijn. Er is geen sprake van een nieuwe omgevingsvergunningplichtige activiteit. Daarom is het handhavingsverzoek terecht afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de werkzaamheden een voortzetting zijn van een bestaand project.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3306 OWHAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker en
[verzoekster], verzoekster, uit [woonplaats] ,
hierna: verzoekers,
(gemachtigde: [naam] ,
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, namens deze de Omgevingsdienst Brabant Noord, verweerder.
(gemachtigden: mr. M. van der Stappen en mr. T. Verstappen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Waalwijk uit Waalwijk (derde-partij)
(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het handhavingsverzoek van verzoekers gericht tegen omvangrijke werkzaamheden in de [adres] en de [adres] in [woonplaats] , vanwege de huns inziens mogelijke impact op hun perceel gelegen in het Natura 2000 gebied ‘Westelijke Langstraat’.
1.1.
Bij besluit van 6 november 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden afgewezen.
1.2.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers verzoeken de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen en verweerder te verplichten om tot aan het te nemen besluit op bezwaar te handelen alsof verweerder het handhavingsverzoek heeft toegewezen.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van derde-partij.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
1.6.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoekers op korte afstand wonen van de werkzaamheden in de [adres] en daarom als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. De werkzaamheden vinden plaats tot medio 2027 en reeds daarmee hebben verzoekers een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter laat in het midden of artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet strekt tot bescherming van de belangen van verzoekers. Zij hebben wel onweersproken aangegeven dat zij gronden in eigendom hebben in een nabijgelegen Natura 2000 gebied.
3. Beide wegen (met de onderliggende riolering) liggen er al voor de aanwijzing van de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de omvangrijke werkzaamheden in de [adres] en de [adres] in [woonplaats] zijn aan te merken als een nieuw of afzonderlijk project danwel de voortzetting van het bestaande project.
3.1.
Ter zitting is door partijen erkend dat deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het beoordelingskader zoals uiteengezet door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het PAS-arrest [1] en het AquaPri-arrest [2] en de daarop voortbordurende rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] .
3.2.
Uit de hiervoor genoemde rechtspraak kan worden afgeleid dat de voortzetting van een activiteit slechts kan worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit, met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd, geen continuïteit en identiteit bestaat.
3.3.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan in dit geval niet gezegd worden dat er tussen de eerder vergunde activiteit in de [adres] en de [adres] en de thans voortgezette activiteit, geen continuïteit en identiteit bestaat. De [adres] en [adres] waren (tweerichtings-gebiedsontsluitings)wegen en blijven dat. Onder die wegen bevonden zich al rioolpijpen. Deze rioolpijpen worden vervangen door nieuwe rioolpijpen met een gescheiden stelsel voor afvoer van hemelwater en vuilwater, maar er worden geen nieuwe percelen op aangesloten en er worden ook geen pompen geplaatst. De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk dat de capaciteit van het riool drastisch wordt gewijzigd. De vervanging van de riolering leidt niet tot een andere identiteit of continuïteit. Hetzelfde geldt voor de wijziging van de parkeerplekken (naast in plaats van op de weg) en de andere inrichting van de weg (de gewijzigde fietsstroken en de vervanging van asfalt door klinkers). Ook het feit dat de weg smaller wordt en de aanpassing van de maximumsnelheid op deze wegen van 50 km naar 30 km, leiden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een zodanige andere verkeersontwikkeling dat er sprake is van een andere identiteit of continuïteit als bedoeld in het eerder genoemde beoordelingskader. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt het project op dezelfde plaats en onder dezelfde voorwaarden voortgezet. De voormelde factoren, zowel ieder op zich als tezamen genomen, zijn geen nieuw project, maar de voortzetting van het bestaande project.
3.4.
Het voorgaande betekent dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een overtreding zodat derde partij geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit nodig had voor de activiteiten in de [adres] en de [adres] . De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen en het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Om die reden wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
4. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
5. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026 door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter,
is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882
2.arrest van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864
3.waaronder de ter zitting besproken uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615