Uitspraak
(drugs)organisatie.
1 januari 2019 medefirmant van dat bedrijf.
2.Het standpunt van de officier van justitie.
3.Het standpunt van de verdediging.
4.De bewijsmiddelen.
5.Verweren.
6.De beoordeling van de rechtbank.
(p. 81-87), [verbalisant 7] (p. 119-126) en [verbalisant 9] (p. 105-108).
ntv)passages in de OVC-gesprekken doen hieraan geen afbreuk.
hardware,zoals: ketels, koelers, platen, pijpen, slangen, drukmeters, vriezers, afzuiging, lab, keuken; en
(grond)stoffen,zoals: waterstof, stoomolie, olie, A, B, Met-olie, AP, ammoniak, fos, fosforzuur, zout, zwavel, apaan, P-poeder, mieren, lijmblokken, amfetamine, M, P, PMK-glycidaat, poeder, meth, grondstoffen, glycidaat, de formule van B is hetzelfde voor P, olie van die A, liters B, P-ketel, kilo’s AP, vloeibare B, poedervorm, 60 M uit 100 poeder, omzetten naar P, zuivere B, formule van B, het CAS-nummer 28578-16-7 (PMK ethyl glycidaat); en
scheikundige proceshandelingen,zoals: destilleren, smelten, stomen, koken, afdampen, draaien, omzetten, afwerken, oplogen, logen, afdraaien, kristalliseren, mengen, tarren, monsters, liters draaien, uithalen, hoog in de temperatuur, 100 of 200 graden.
derde) heeft gezegd: ‘laat die mensen P-poeder importeren, in plaats van die apaan. Apaan is er genoeg’;
9 juni 2022 blikken zij terug op de onderschepping van de lading. [verdachte] vindt het ‘zwaar, zwaar kut’ en snapt niet hoe de betrokken verbalisanten iets hebben kunnen ruiken: ‘Als 4 keer verpakt is, dan kunnen hun nooit hebben geroken.’ Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank van daderkennis van [verdachte] ; hij was op de hoogte van de sterke geur van de inhoud van de door [betrokkene 8] vervoerde zakken en de wijze waarop het ten tijde van het vervoer was verpakt.
9 juni 2020 eindigen met de vraag aan [verdachte] of hij wil ‘meedoen nar UK’ en waarbij hem ‘blokken’ worden aangeboden: ‘toppers colo’ en waaraan [verdachte] ‘5-6k’per blok zou kunnen verdienen. De rechtbank stelt vast dat dit bericht qua tijd en inhoud naadloos aansluit bij de inhoud van het eerste cryptobericht in de onderhavige beschuldiging van 14 augustus 2020 waarin [verdachte] vraagt: ‘Do you have a transfer to England? For blocks?’
24 maart 2022 (p. 4798). Daarmee is, nog los van de vraag of deze passage daadwerkelijk op een transactie van twee kilogram cocaïne ziet, niet voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verwoorde bewijs-minimumvoorschrift.
11 mei 2020 gelijkende man te zien die vloeistof uit een jerrycan over de Porsche Cayenne giet. Hierna steekt hij zijn hand uit in de richting van de Porsche waarna er vuur verschijnt en waarop de Porsche direct vlam vat. De man rent weg.
Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
(pre-)precursoren voor de productie van synthetische drugs, veel (contant) geld wordt verdiend. Het dossier bevat enkele OVC-gesprekken waarin [verdachte] drugsgerelateerde gesprekken voert en waarin hij uit de doeken doet hoe hij veel geld heeft verdiend met de handel in drugs.
€ 1.093.530,-.
€ 3.456.745. De negatieve resultaten uit de vermogensvergelijking kunnen niet toe te rekenen zijn aan de schoonheidssalon van [partner van verdachte] . Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in deze periode € 3.456.745,- meer is uitgegeven dan er is binnen gekomen.
4 december 2019 noteerde [verdachte] ‘fet nog liggen € 715.850’ en in de berichten van november 2022 staat ‘fret nog á 12.500’. Aangezien de roepnaam van [schoonvader van verdachte] ‘ [schoonvader van verdachte] ’ is en ook in de berichten wordt gesproken over ‘ [schoonmoeder van verdachte] ’ (de roepnaam van de vrouw van [schoonvader van verdachte] is [schoonmoeder van verdachte] ), gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] het steeds over het adres aan de [adres 5] in Geldrop heeft. Het had op de weg van [verdachte] gelegen om hierover duidelijkheid te geven, maar hij heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat het aangetroffen geldbedrag van € 150.000,- aan [verdachte] toebehoorde. [verdachte] heeft geen verklaring gegeven over de (legale) herkomst van dit geldbedrag. Aan de verklaring van de raadsman van [verdachte] dat het gaat om ‘een groot gedeelte van het kasgeld van [bedrijf 1 van verdachte] . ’, gaat de rechtbank voorbij omdat het een kale, niet onderbouwde stelling betreft die niet door verdachte zelf is gegeven. De rechtbank betrekt hierbij tevens het tijdstip dat deze verklaring is gegeven, namelijk pas bij pleidooi op de terechtzitting van 14 november 2025. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het in de kluis van de schoonvader van [verdachte] aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Door dat geld in de kluis van Krosse te plaatsen heeft [verdachte] het geld overgedragen, de vindplaats ervan verhuld en verhuld wie de werkelijke rechthebbende was.
28 april 2022 zegt hij tegen [medeverdachte 1] . dat hij beter geen marge auto’s in kan boeken, omdat anders bij verkoop aan het eind van de week BTW afgedragen moet worden. [verdachte] zegt: ‘ik ben daar niet heel blij mee. Dat kost mij gewoon geld, dat is hetzelfde met de BTW die ik dadelijk moet afrekenen’. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘die BTW krijgen we wel terug deze maand he (..) en dan verstop je dat geld en dan bende klaar’. In een gesprek op 11 februari 2022 zegt [verdachte] tegen [zoon 2 van verdachte] dat de auto’s van de [bedrijf 2 van verdachte] eigenlijk van hem zijn. [verdachte] : ‘moet je heel erg mee op… als politie, belasting komt.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘dan pakken ze alles af.’ [verdachte] ‘kijk je moet zo tellen, alles wat hier staat. En wat was er. Hun hadden zeg maar niks.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘op papier stond hier een miljoen’. [verdachte] : ‘Dat hadden ze opgemaakt, dus ik heb rustig aan geld gegeven 50 rooien, 20, 30, zo opgebouwd, dat er weer zeg maar 5, 6 ton terug was. En dat we daarmee konden handelen. ga maar tellen wat er staat’.
[verdachte] noemt daarbij een aantal auto’s en een boot, die op naam van [bedrijf 2 van verdachte] stonden.
21 september 2020. [verdachte] is op 24 juli 2020 ook aangetroffen door de politie in deze auto. De auto is volgens de factuur van [bedrijf 3] op 21 februari 2019 verkocht aan [bedrijf 2 van verdachte] voor € 130.000,-. Opvallend is dat in een aantekening in het Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 staat vermeld ‘Mercedes SLS AMG 2012 a 130.000 ex BTW plus bpm a 10.620’. Dat is hetzelfde bedrag als op genoemde factuur staat vermeld. Volgens het LIV/RDW werd deze auto op 4 april 2019 op naam van [bedrijf 2 van verdachte] gezet. Vanaf 10 april 2019 tot 11 september 2019 stond de auto op naam van [verdachte] om daarna weer op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] te staan tot 9 april 2020. Vanaf dat moment tot 21 september 2020 stond de auto weer op naam van [verdachte] . Vervolgens is de tenaamstelling weer over gegaan op de [bedrijf 2 van verdachte] . [verdachte] heeft de [bedrijf 2 van verdachte] gemachtigd om de tenaamstelling voor dit voertuig te verrichten. Er is geen enkele transactie te vinden in de bankrekeningen van [bedrijf 2 van verdachte] , [bedrijf 1 van verdachte] . of [medeverdachte 1] . of [verdachte] die een relatie heeft met dit voertuig; ook niet met betrekking tot de wijzigingen van de tenaamstelling. [verdachte] heeft over het voorgaande geen verklaring willen geven, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat deze auto door [verdachte] is gekocht en ter verhulling van het daadwerkelijke eigendom is ingebracht in het vermogen van [bedrijf 2 van verdachte] .
[kenteken 4] op 30 juni 2020 verkocht heeft aan [bedrijf 2 van verdachte] voor een bedrag van € 64.500,- en dat de [bedrijf 2 van verdachte] een aanbetaling heeft gedaan van € 24.500,- , waarbij het restant bedrag van € 40.000,- per bank is betaald op 17 juli 2020. Uit de grootboekrekening van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt dat een bedrag van € 24.500,- contant vanuit de kas aan [naam 1] is betaald. In de administratie van [bedrijf 2 van verdachte] zijn geen transacties te zien met betrekking tot een wisseling van tenaamstelling, terwijl de camper, zoals hiervoor beschreven, diverse malen op naam van [verdachte] heeft gestaan en dat volgens de RDW [verdachte] de eerste Nederlandse tenaamgestelde was. In een OVC-gesprek op
11 februari 2022 tussen [verdachte] en zijn zoon [zoon 2 van verdachte] zegt [verdachte] : ‘Ga maar tellen wat er staat. Ik bedoel (…) camper staat op [medeverdachte 1] zijn naam, alles’. Daarop zegt [zoon 2 van verdachte] : ‘dat is toch eigenlijk wel kut als je stopt dan’. [verdachte] antwoordt: ‘Nee, ik heb zelf ook verantwoord.’ [verdachte] heeft voor het vorenstaande geen verklaring willen geven, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat [verdachte] de daadwerkelijke rechthebbende van deze [bedrijf 5] was en aldus de werkelijke eigendom heeft verhuld.
€ 47.500,-.
rechtbank: ongeveer € 7.753,-). In een tapgesprek van
20 oktober 2021 met ene [betrokkene 7] , die een Day-Date op Marktplaats heeft staan voor
€ 51.500,-, vraagt [verdachte] hoe [betrokkene 7] het betaald wil hebben, cash of op de bank.
€ 5.000,- met een totaal van € 50.000 van [bedrijf 1 van verdachte] . De gelden bij [bedrijf 1 van verdachte] . zijn vervolgens weer afkomstig van een overboeking van [bedrijf 2 van verdachte] naar [bedrijf 1 van verdachte] . op 13 januari 2022 van € 50.000,- o.v.v. terugbetaling lening. Hieraan voorafgaand is geen verstrekkende lening op de rekening te zien;
€ 260.000,-. [partner van verdachte] vraagt aan [verdachte] of de advocaat weet van de prijs, waarop [verdachte] zegt: ‘gewoon zeggen wat wij hebben besproken, gewoon die 250’. Zijn vrouw antwoordt: ‘Het is 260 he. Dat was ons laatste bod’. [verdachte] : ‘260 en 35?’, wat zijn vrouw vervolgens bevestigt: ‘Ja’. Dat [verdachte] bovenop de verkoopprijs van € 260.000,- ook € 35.000,- contant heeft betaald voor de aankoop van het appartement, vindt bevestiging in het OVC-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . op 31 januari 2022. [medeverdachte 1] . vroeg aan [verdachte] : ‘en moest je die 35 rooien van te voren (
ntv)of niet’. [verdachte] vertelde dat ze van te voren bij het appartement een afspraak hadden. De makelaar heeft toen het geld geteld en heeft gezegd dat [verdachte] 25 aan die vrouw (
rechtbank: verkoopster) en 10 aan hem (
rechtbank: de makelaar) moest betalen. Op 17 februari 2022 zegt [verdachte] in een OVC-gesprek met een onbekend persoon dat hij op papier ‘260’ heeft betaald, dat hij 35 bij heeft moeten lappen en dus ‘295’ betaald heeft.
(€ 105.000,- ) plus het contant betaalde deel van € 35.000,-.
rechtbank:de aannemer) pas 40 van de afgesproken 89 ruggen heeft betaald en tegen hem heeft gezegd dat [verdachte] weer geld geeft als hij weer komt. Ook zegt [verdachte] in dit gesprek dat de hele verbouwing ‘115 rooien’ heeft gekost. [verdachte] : ‘Maar dan moet je zo tellen dan is van voor tot achter alles. Nieuwe airco's, nieuwe kozijnen, nieuwe badkamer, nieuwe keuken, nieuwe vloeren, nieuwe dak, ledverlichting. Overal is ledverlichting en kast.. inbouwkasten en nog in de woonkamer een extra kast voor spullen weet je niet? Gewoon echt alles, verlaagd plafond met ledstrip erachter, buiten led verlichting, onder op het terras van die ledlampjes voor
's avonds. Echt alles. Nieuwe stopcontacten.’
€ 115.000,- heeft verbouwd. Dat het appartement is verbouwd (zoals door [verdachte] is verklaard) vindt bevestiging in de bevindingen van de politie bij de doorzoeking van het appartement; het verweer van de raadsman dat het bewijs enkel op de verklaring van verdachte zou rusten, stuit hier op af. Het lijkt erop dat een groot deel van de verbouwing cash is betaald, nu buiten de hiervoor genoemde betaling aan [bedrijf 9] ad € 25.277,50 niet blijkt van girale betaling van deze kosten. Dit vindt bevestiging in de tijdens de doorzoeking in Spanje aangetroffen facturen en in wat [verdachte] heeft gezegd in het OVC-gesprek van 29 april 2022.
€ 25.000,- en een badkamer van € 40.000,-. Zo zegt [verdachte] in een OVC-gesprek op 5 april 2022 met onder andere zijn zoon [zoon 2 van verdachte] en [medeverdachte 1] . : ‘we hadden nog wel ergens een ton, 4 en een halve ton, en daar 6 en een half of 7 en een halve ton liggen. Dus ja wat maakt het voor ons uit. We hadden geld zat. (…) We verdienden 100 ruggen in de week, dus wat maakt het uit. We maakten 30 ruggen op. (…) Het maakte niet uit. En ik bedoel, ik bouwde een nieuw huis (…)’. In een OVC-gesprek op 21 februari 2022 zegt [verdachte] dat hij de badkamer bij [bedrijf 11] heeft gekocht, dat hij een tegelzetter heeft en dat de loodgieter een rooitje vroeg. In een OVC-gesprek op 12 maart 2022 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] . wat het kost om de badkamer te verbouwen: ‘alleen badkamer was 16.000. Die jongen vraagt 7 rooie voor tegels zetten, hij heeft voor 2 rooie spullen gehaald en daar komt nog wat bij, zeg maar 3 rooie.’ In een OVC-gesprek op 11 juli 2022 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 4] : ‘ik heb een paar jaar geleden nog een nieuwe serre laten zetten van 25 ruggen (..) Ik heb er nou een badkamer van 40 ruggen inbouwen weer. Ik heb de kamers allemaal laten doen voor de kinderen’. [betrokkene 4] antwoordt: ‘Heb je daar ook iets van, via de bank? Nee, dat is wel kut in deze situatie nou dan he?’ [verdachte] : ‘Ja’.
werken binnen het autobedrijf of de inbreng van knowhow). Uit het dossier blijkt wel dat [verdachte] iedere maand € 7.000,- ontving. [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] ontvingen na toetreding van [verdachte]
€ 3.250,-, respectievelijk € 2.000,-. Het is de rechtbank op geen enkele wijze duidelijk geworden waarom [verdachte] per maand meer dan het dubbele aan winstuitkering (door [verdachte] en [medeverdachte 1] . ‘loon’ genoemd) ontving dan de andere twee vennoten, terwijl uit het dossier niet blijkt dat hij een substantieel grotere inbreng in de [bedrijf 2 van verdachte] had wat betreft arbeid, kennis of geld. Ook lijkt het winstaandeel dat [verdachte] ontving in 2019 (39%) zich niet te verhouden tot de beperkte stijging van de fiscale winst van de [bedrijf 2 van verdachte] in 2019 ten opzichte van de twee voorgaande jaren. Kortom, de toetreding van Schalk als firmant in de [bedrijf 2 van verdachte] per
1 januari 2019 roept vanuit zakelijk, economisch perspectief vragen op.
1 januari 2019) contant geld heeft ingebracht, dat het autobedrijf feitelijk zijn bedrijf is en dat zijn geld via de [bedrijf 2 van verdachte] wordt wit gewassen.
De handelswijze met de Porsche, zoals [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] uitlegt, vindt eveneens steun in het dossier. De Porsche is door [bedrijf 2 van verdachte] gekocht op 14 juli 2021 voor € 117.500,-, waarvan € 110.000,- contant betaald is. Deze auto kreeg een eerste inschrijving in Nederland op naam van [verdachte] op 31 augustus 2021 tot 30 november 2011. Van 30 november 2021 tot 11 februari 2022 stond de auto op naam van [bedrijf 2 van verdachte] . Verder volgt uit de originele kasstaat dat op het moment dat de Porsche gekocht werd er een kassaldo was van € 36.739,85, terwijl er toch € 110.000,- contant betaald is. Het is dan ook uitgesloten dat de contante betaling (geheel) vanuit de kas van [bedrijf 2 van verdachte] is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat [verdachte] vermogen heeft gebruikt om de Porsche te kopen. Dit is ook in lijn met zijn verhaal aan [zoon 2 van verdachte] . Omdat deze geldstroom niet zichtbaar is in het privévermogen of het zakelijke vermogen van [verdachte] (B.V.), bevestigt dit het vermoeden dat het om geld uit criminele bron gaat. Vervolgens is de Porsche voor € 137.000,- verkocht waardoor de door [verdachte] contant ingebrachte gelden op de bankrekening van [bedrijf 2 van verdachte] binnen zijn gekomen. Hierdoor heeft de (onverklaarbare, oftewel: zonder kenbare legale bron)
€ 110.000,- een ogenschijnlijk legale herkomst verkregen.
[bedrijf 2 van verdachte] , omdat veel wat van hem is op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] staat: ‘Als ik dan een keer wil stoppen dat ik kan zeggen, nou luister, auto’s (ntv) klaar. Nou kan ik dat niet want. Kijk snap je. Ga maar tellen wat er staat. Snap je? Maar ik bedoel, die Golf staat op [medeverdachte 1] z’n naam, Bentley staat op [medeverdachte 1] zijn naam, paardenwagen staat op [medeverdachte 1] z’n naam, camper staat op [medeverdachte 1] z’n naam, boot staat op [medeverdachte 1] z’n naam, motor staat op [medeverdachte 1] z’n naam. .. Alles.’
rechtbank: dochter van [verdachte]) op de zijkant, die allen op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] stonden, zijn op de actiedag in beslag genomen bij [bedrijf 2 van verdachte] en bij een manege waar de vrouw en dochter van [verdachte] paard reden. Van deze voer- en vaartuigen heeft [verdachte] dus verhuld wie de werkelijke eigenaar was.
(rechtbank: van [medeverdachte 1] . )moet die ook gewoon zeggen van luister eens… Kijk mijn vrouw weet gewoon hoe het zit, snap je? En ik vind die
(rechtbank: vrouw van [medeverdachte 1] . )moet ook weten hoe het zit, van luister eens … zo en zo zit het. Wij waren 5 jaar geleden al failliet geweest, maar hij
(rechtbank: [verdachte] )heeft ons geholpen, alles is van hem dus wij moeten blij met hem zijn en blij zijn dat we nog kunnen werken, dat we geld verdienen, kunnen we nog leven.’
1 januari 2019 als vennoot is toegetreden tot [bedrijf 2 van verdachte] betrokken was bij de [bedrijf 2 van verdachte] en onverklaarbaar vermogen in heeft gebracht met als oogmerk dit wit te wassen. Ook heeft hij verhuld wie de werkelijke eigenaar was van meerdere voer- en vaartuigen. De conclusie dat [verdachte] al ver voor 2019 geld in [bedrijf 2 van verdachte] heeft gestoken met als doel dit wit te wassen en dat, naast de [bedrijf 2 van verdachte] , [medeverdachte 1] . , [medeverdachte 2] en [bedrijf 1 van verdachte] . hier ook een rol in hebben gehad wordt ondersteund door het onderzoek dat is verricht naar de kasadministratie en geldstromen van [bedrijf 2 van verdachte] .
€ 3.377,55 in de kas is aangetroffen. Dit bedrag wijkt substantieel af van het bedrag dat naar verwachting volgens de administratieve verwerking aanwezig zou moeten zijn. Het te verwachten saldo is niet aangetroffen bij het autobedrijf en ook niet op de privé-adressen van de firmanten. De suggestie van de verdediging dat de [bedrijf 2 van verdachte] overvallen kan zijn geweest en dat dit het lagere bedrag in de kas op de actiedag zou kunnen verklaren, betreft naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een geheel niet onderbouwde stelling. De rechtbank ziet het lage op de actiedag aangetroffen bedrag in de kas als een bevestiging van het feit dat er slechts op papier een hoog kassaldo aanwezig was en dat de kas door [verdachte] werd aangevuld met (onverklaarbaar) vermogen.
0 naar 76%. In de jaren 2016 t/m 2021 vond een toename plaats van 71% tot 92%. De omzet van [bedrijf 1 van verdachte] . is vanaf 2016 voor het grootste deel gefactureerd aan [bedrijf 2 van verdachte] . Dat de twee autobedrijven veelvuldig met elkaar samenwerken wordt bevestigd door een OVC-gesprek van 14 juni 2022 waarin [medeverdachte 1] . telefonisch contact opneemt met een klant en vraagt of hij de mail van [bedrijf 1 van verdachte] . heeft ontvangen. Daarnaast zegt [medeverdachte 1] . in dit gesprek dat ze twee bedrijven hebben. Waarom deze verwevenheid er tussen de twee autobedrijven vanaf 2016 is ontstaan is uit het dossier en ter zitting niet duidelijk geworden, gelet op het zwijgen van [verdachte] en [medeverdachte 1] . De enige logische verklaring die de rechtbank kan bedenken is dat [verdachte] met de inbreng van (crimineel) vermogen in de [bedrijf 2 van verdachte] een dusdanige invloed heeft verkregen dat hij is gaan bepalen waar de [bedrijf 2 van verdachte] auto’s van kocht en kon hij daardoor ook bepalen waar verliezen terecht zouden komen. Naar het oordeel van de rechtbank is er vanaf 2016 dan ook een samenwerkingsverband ontstaan tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . die, gelet op het tijdsverloop, als duurzaam aan te merken is.
Weliswaar is ook sprake geweest van een reguliere bedrijfsvoering binnen [bedrijf 2 van verdachte]
[bedrijf 2 van verdachte] , passend binnen een autobedrijf, met openingstijden van maandag tot en met zaterdag en een dagelijkse aanwezigheid van, in ieder geval, [medeverdachte 1] . Dit betekent echter niet dat geen sprake zou kunnen zijn van een criminele organisatie. Juist doordat sprake is van een, normaal gesproken, regulier bedrijf wordt al eerder voldaan aan de kenmerken van een organisatie. Door de vervlechting van de reguliere bedrijfsvoering met de inbreng van crimineel vermogen door [verdachte] , kunnen deze gelden makkelijker worden verhuld. Er was in dit geval geen sprake van een incidenteel of toevallig samenwerkingsverband, maar van een groep (rechts)personen die gedurende meerdere jaren volgens een vaste modus operandi witwashandelingen uitvoerden.
Oogmerk van de organisatieDat het oogmerk van de organisatie gericht was op witwassen blijkt zonder meer uit de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken ondersteund met de andere al benoemde onderzoeksbevindingen. De normale bedrijfsvoering werd gebruikt om crimineel vermogen (bestaande uit geld en voer- en vaartuigen) van [verdachte] wit te wassen. De lange duur waarin de organisatie heeft witgewassen, vormt ook een concrete aanwijzing voor het criminele oogmerk van deze organisatie.
1. De verdachte behoort tot de organisatie, en
2. De verdachte heeft aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.
[medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] een afhankelijkheidspositie ontstaan ten opzichte van [verdachte] . Aan de andere kant had [verdachte] [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] nodig voor de bedrijfsvoering om een voor hem ogenschijnlijk legaal inkomen te genereren en/of zijn eigendommen buiten beeld te laten. Dit maakt ook dat zij als een criminele organisatie, met de [bedrijf 2 van verdachte] en de [bedrijf 1 van verdachte] van [verdachte] aan te merken zijn.
rechtbank: het CAS-nummer van PMK-olie) aan [medeverdachte 1] . doorgegeven en aan hem gevraagd het nummer aan [verdachte] door te geven. [betrokkene 4] vertelde daarbij dat het in olievorm is. Op 5 april 2022 vond er een uitgebreid gesprek plaats tussen [verdachte] , [zoon 2 van verdachte] en een onbekend gebleven man in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . In dat gesprek ging het over de productie en handel in (synthetische) drugs en de criminele herkomst van het startkapitaal
(rechtbank: van [verdachte] en zijn vader). Zo vertelde [verdachte] : ‘Als hun mij niet hadden gehad waren ze nooit zo rijk geworden, 100 miljoen, m’n vader ook niet. (..) Ons pap heeft z’n deel gevat, ik heb mijn deel gevat en in de pot zat nog zoveel geld, daar bleven we (..) mee werken’. Het gesprek ging verder over waar geld verborgen lag en dat er wel tien keer een inval was geweest en telkens niets gevonden was. [medeverdachte 1] . reageerde hierop met: ‘ligt er goed’. [verdachte] vertelde dat hij samenwerkte met zijn vader, maar dat hij de baas was. Toen de onbekend gebleven man suggereerde dat [verdachte] wel rustig aan zou doen als zijn vader dat zei, reageerde [medeverdachte 1] . met: ‘(lacht) dat deed jij toch niet’. Tijdens dat gesprek zei [verdachte] ook nog dat ‘als je goed werkt je op dit moment meer verdient met a olie dan met ice’. Verder kan in dit verband niet onvermeld blijven dat [medeverdachte 1] . op 13 april 2022 door [verdachte] werd meegenomen naar een ontmoetingsplaats om vermoedelijk grondstoffen voor synthetische drugs in te laden.
hierna besproken onder het kopje beslag).
€ 150.000,- in een kluis bij zijn schoonvader gestald. Verdachte spreekt in een OVC-gesprek zelf over ‘1.2 miljoen aan klokken, 1,5 miljoen aan geld en 1 miljoen aan auto’s’ .