ECLI:NL:RBOBR:2026:1294

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
21/1927
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:25 AwbArt. 3:9 AwbArt. 3:49 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag op grond van subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant bevestigd ondanks procedurele bezwaren

Eiseres heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant, Professionele Kunsten 2021-2024, die is afgewezen omdat het subsidieplafond was bereikt. Na bezwaar en een herbeoordeling door een nieuwe adviescommissie bleef de afwijzing in stand. Eiseres voerde onder meer motiveringsgebreken, gebrek aan transparantie, schending van de vergewisplicht en willekeur aan.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht op het advies van de nieuwe Adviescommissie heeft vertrouwd en dat de motivering voldoende inzicht geeft in de totstandkoming van de rangschikking en puntentelling. De eerdere onzorgvuldigheden bij de eerste adviescommissie zijn niet relevant voor het bestreden besluit. Het verbod van reformatio in peius is niet geschonden omdat de heroverweging niet tot een nadeliger uitkomst voor eiseres heeft geleid.

De rechtbank wijst het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I af als niet-ontvankelijk en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond vanwege het niet vergoeden van proceskosten in bezwaar. Het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan eiseres. De afwijzing van de subsidieaanvraag blijft verder in stand.

Uitkomst: De subsidieaanvraag wordt afgewezen, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/1927

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.M.H. van Dongen),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, het college,

(gemachtigden: mr. S. Bouchiba en [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant, Professionele Kunsten 2021-2024 (de subsidieregeling). Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de subsidieaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft als primair doel de talentontwikkeling van schrijvers, zij organiseert diverse podiumactiviteiten, produceert een literaire podcast en wil zich ontwikkelen tot een internationale literaire werkplaats. Eiseres heeft op 29 januari 2020 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de subsidieregeling voor een bedrag van € 280.000,–.
2.2.
De beoordeling van de subsidieaanvragen heeft plaatsgevonden via een tenderprocedure. Het college heeft de ingediende aanvragen aanvankelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie BrabantStad Cultuur. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft alle aanvragen beoordeeld en van advies voorzien. Op basis van de verdeelcriteria van artikel 1.12 van de subsidieregeling zijn aan iedere aanvraag punten toegekend. Hierdoor is een rangschikking van de aanvragen tot stand gekomen. Het college heeft de adviezen en de hieruit voortvloeiende rangschikking van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur overgenomen.
2.3.
Het beschikbare subsidiebudget is vervolgens in de volgorde van de rangschikking verdeeld over de aanvragen die volledig gehonoreerd konden worden. Dat waren de aanvragen met een totaalscore van 278 punten en hoger. Daarmee werd het subsidieplafond zoals opgenomen in artikel 1.10, onder k, van de Subsidieregeling van € 11.126.835,– bereikt.
2.4.
In het primaire besluit van 19 juni 2020 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) omdat het subsidieplafond van de subsidieregeling is bereikt. In het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur zijn aan eiseres 277 punten toegekend, daarmee viel zij onder de zogenoemde zaaglijn. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend.
2.5.
Op 21 september 2020 en 23 oktober 2020 heeft de Adviescommissie BrabantStad Cultuur een aanvullend advies en toelichting gegeven naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur handhaaft daarin haar eerdere advies.
2.6.
Op 30 november 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Hoor- en Adviescommissie (HAC) over het ingediende bezwaar.
2.7.
Op 7 december 2020 heeft het college aan de HAC laten weten dat een vermoeden van een andere aanvrager dat een van de commissieleden die een familieband heeft met een andere aanvrager van de subsidie en waar tevens sprake zou zijn van zakelijke en/of professionele betrokkenheid bij deze aanvrager, betrokken zou zijn geweest bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van deze aanvrager, correct is. De procedure tot ontslag van dit commissielid is door het college daarop in gang gezet.
2.8.
De HAC heeft het college vervolgens op 24 december 2020 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. De HAC heeft onder meer geoordeeld dat verslaglegging of notulen van de deelvergaderingen en de slotvergadering in strijd met artikel 8 van Pro het Reglement Adviescommissie BrabantStad Cultuur ontbraken. Daardoor heeft de advisering niet op een transparante en controleerbare manier plaatsgevonden. Daarnaast was volgens de HAC voor partijen niet duidelijk wat de samenstelling was van de deelcommissies. Ook kwam de HAC tot het oordeel dat het advies had moeten worden uitgebracht door de voltalige Adviescommissie BrabantStad Cultuur en niet door diverse deelcommissies. Naar het oordeel van de HAC kon ook de manier waarop in de tenderverdeelprocedure invulling was gegeven aan de verplichting om reële mededingingsruimte te bieden en het vereiste van een passende mate van openbaarheid, de toets niet doorstaan. Er was geen duidelijkheid over de toe te passen criteria bij de beoordeling. Verder stelde de HAC vast dat een Adviescommissielid (in)directe betrokkenheid heeft bij een cultuurinstelling waarvoor in de voorliggende tenderprocedure ook subsidie is aangevraagd en uiteindelijk is gehonoreerd. In deze tenderverdeelprocedure was geen inzage geboden in de aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd dan de aanvraag van eiseres en waren evenmin stukken ter inzage gelegd om de beoordelingen van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur van die aanvragen te kunnen controleren. De HAC vond concluderend dan ook dat de procedure van advisering en de totstandkoming van het advies ernstige en wezenlijke gebreken vertoonde en niet op voldoende zorgvuldige wijze was geschied, zodat het college dit advies niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het primaire besluit. De HAC vond daarom ook dat niet kon worden gesteld dat het college heeft voldaan aan de vergewisplicht uit de artikelen 3:9 en 3:49 van de Awb, en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.
2.9.
Gelet op het advies van de HAC heeft het college besloten om de beoordelingsprocedure van de aanvragen in zijn geheel over te doen. Daarvoor heeft het college een nieuwe adviescommissie met nieuwe leden ingesteld: de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 (hierna: Adviescommissie). De Adviescommissie heeft alle subsidieaanvragen opnieuw beoordeeld.
2.10.
Op 27 mei 2021 heeft het college eiseres in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze te geven op het advies van de Adviescommissie en de daarin opgenomen rangschikking. Uit het advies volgt dat eiseres niet genoeg punten heeft ontvangen om voor toewijzing van subsidie in aanmerking te komen. Eiseres heeft 280 punten behaald. Eiseres is daarmee opnieuw onder de zaaglijn uitgekomen.
2.11.
Eiseres heeft op 8 juni 2021 haar zienswijze gegeven.
Het bestreden besluit I
2.12.
Bij besluit van 2 juli 2021 (het bestreden besluit I, dat het college bij het hierna te vermelden bestreden besluit II heeft ingetrokken) op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit heeft het college het standpunt om de aanvraag af te wijzen met een gewijzigde motivering gehandhaafd. Het college wijst de aanvraag opnieuw af op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb, omdat het subsidieplafond is bereikt. Voor de motivering van dat besluit verwijst het college naar het advies van de Adviescommissie. Het college vindt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies en de bijbehorende puntenvaststelling.
2.13.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Het bestreden besluit II
2.14.
Naar aanleiding van een uitspraak van deze rechtbank [1] in een zaak van een andere subsidieaanvrager op grond van de subsidieregeling, heeft het college op 8 september 2022 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiseres. Het college heeft alsnog inzage gegeven in de verslagen van de Adviescommissie naar aanleiding van die uitspraak. De bezwaren van eiseres zijn gegrond verklaard en het bestreden besluit I is ingetrokken. Ook in bestreden besluit II wijst het college de aanvraag af onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid, van de Awb, omdat het subsidieplafond is bereikt. Voor de motivering van dat besluit verwijst het college opnieuw naar het advies van de Adviescommissie. Het college vindt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies en de bijbehorende puntenvaststelling. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege betrekking op het bestreden besluit II.
2.15.
Het college heeft naast het nemen van het bestreden besluit II ook hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak van een andere aanvrager bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De rechtbank heeft partijen bericht dat de zaak wordt aangehouden, in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in die zaak.
2.16.
De Afdeling heeft op 21 februari 2024 [2] uitspraak gedaan in het hoger beroep van het college. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
2.17.
De rechtbank heeft partijen gevraagd naar een reactie op de uitspraak van de Afdeling en of deze uitspraak nog gevolgen heeft voor het reeds ingediende beroep. Eiseres heeft daarop verwezen naar haar eerder ingediende beroepsgronden. Het college heeft niet gereageerd.
2.18
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres waren aanwezig: haar gemachtigde en [naam] (zakelijk leider), [naam] (directeur) en [naam] (bestuurslid) en namens het college zijn gemachtigden. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het college de gelegenheid gegeven om een schriftelijke reactie in te dienen. Die reactie heeft het college op 27 oktober 2025 ingediend. Eiseres heeft daar bij brief van 12 november 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de subsidieaanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het oordeel van de rechtbank over het beroep tegen bestreden besluit I
3.2.
Eiseres heeft aangegeven dat het bestreden besluit II niet tegemoet komt aan haar beroep. Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II. Omdat niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk.
Het oordeel van de rechtbank over het beroep tegen bestreden besluit II
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van eiseres om wat zij eerder in het aanvullende bezwaarschrift, tijdens de hoorzitting en in de zienswijze heeft aangevoerd in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen – zonder daarbij te vermelden in welk opzicht, in haar visie, de reactie van het college in het bestreden besluit ontoereikend was – onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan. De rechtbank richt zich op wat eiseres in beroep concreet heeft aangevoerd.
Motivering, vergewisplicht en willekeur
3.4.
Eiseres betoogt dat de besluitvorming van het college motiveringsgebreken heeft, niet transparant is en dat het college niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Het advies van de Adviescommissie biedt volgens eiseres geen of onvoldoende inzicht in de totstandkoming van de rangschikking van de beoordeelde aanvragen en in de tot het toetsingskader te herleiden overwegingen over de aanvraag van eiseres. Eiseres vindt dat de individuele beoordelingen van de Adviescommissie openbaar gemaakt moeten worden omdat de beschikbare verslagen geen inzicht bieden in de beraadslaging van de Adviescommissie, welke afwegingen de individuele commissieleden hebben gemaakt en op welke wijze de punten zijn toegekend en de rangschikking tot stand is gekomen. Eiseres stelt dat de notulen van de beraadslaging van de Adviescommissie in strijd met het reglement ontbreken. Eiseres concludeert dat het advies van de Adviescommissie gebrekkig tot stand is gekomen, dat de Adviescommissie niet onbevooroordeeld heeft gehandeld en dat de verschillen tussen de adviezen van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur en de Adviescommissie over de beoordeling van de verdeelcriteria, aantonen dat sprake is willekeur.
3.5.
Bij de beoordeling van deze beroepsgronden betrekt de rechtbank de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:727. In die uitspraak, waarin dezelfde subsidieregeling aan de orde is als in de hier aan de orde zijnde zaak, heeft de Afdeling onder meer overwogen:

5.1. Allereerst overweegt de Afdeling over de individuele beoordelingen als volgt. Het college heeft individuele scoreformulieren overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Awb. De Afdeling heeft bij de beslissing van 27 januari 2023 beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd geacht. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de individuele scoreformulieren. De Afdeling acht aannemelijk dat kennisneming door Stichting Lustwarande van de individuele scoreformulieren zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de leden van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024. Naar het oordeel van de Afdeling wegen deze belangen in dit geval zwaarder dan het belang van Stichting Lustwarande om kennis te kunnen nemen van de individuele scoreformulieren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de leden van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 voorafgaand aan het uitbrengen van het advies vrij van gedachten moeten kunnen wisselen.
Het college heeft verder gemotiveerd gesteld dat er geen woordelijk verslag van de vergaderingen van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 is gemaakt. De Afdeling acht deze verklaring niet ongeloofwaardig. Er is dus niet een dergelijk stuk dat als een op de zaak betrekking hebbend stuk zou kunnen worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vergaderverslagen tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren.
5.2.
Het betoog slaagt in zoverre.
5.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 15 juli 2015, moet de motivering van een besluit op een aanvraag om een subsidie die wordt verdeeld volgens een zogeheten tendersysteem inzicht verschaffen in de totstandkoming van de rangschikking van de aanvragen. Omdat de rangorde mede wordt bepaald door de beoordeling van andere aanvragen, betekent dit dat de motivering van de afwijzing van de eigen aanvraag ook inzicht moet verschaffen in de beoordelingen van de aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd.
5.4.
Het college heeft voor de totstandkoming van de rangorde in bezwaar verwezen naar de adviezen van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024.
Indien een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, geldt als algemeen uitgangspunt dat het bestuursorgaan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd. Het college heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, aangevoerd dat dit algemene bestuursrechtelijke uitgangspunt ook geldt bij een subsidie die wordt verdeeld volgens een tendersysteem, zoals hier aan de orde. In de uitspraak van 9 juni 2021 heeft de Afdeling eveneens overwogen dat het erom gaat dat aan de subsidieaanvrager in voldoende mate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt.
5.5.
De Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 heeft in het advies met betrekking tot de aanvraag van Stichting Lustwarande aan de hand van de verdeelcriteria uit artikel 1.12 van de Subsidieregeling de aanvraag beoordeeld en per verdeelcriterium een aantal punten toegekend. Stichting Lustwarande is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 kenbaar te maken en de adviescommissie heeft een reactie hierop gegeven. Stichting Lustwarande heeft in beroep en hoger beroep de juistheid en volledigheid van het advies niet betwist, noch de beoordeling van de hoger geëindigde aanvragen aan de orde gesteld.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat met dit advies in voldoende mate inzicht is gegeven in de totstandkoming van de puntentelling voor de aanvraag van Stichting Lustwarande. Dat de puntentelling in het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 niet is uitgesplitst naar de door de individuele leden van de commissie gegeven punten, maakt de totstandkoming van de puntentelling in dit geval niet onvoldoende inzichtelijk. Het advies verschaft inzicht in de gedachtegang die aan het advies ten grondslag ligt. In het onderhavige geval is het niet noodzakelijk dat bekend is welke puntenscore een individueel lid van de commissie aan een aanvraag heeft toegekend. Leden van de adviescommissie hebben voorafgaand aan de vergaderingen van de commissie scoreformulieren ingevuld. Deze formulieren geven slechts voorlopige individuele oordelen weer, die tijdens de vergaderingen van de commissie nog kunnen wijzigen en die niet ten grondslag liggen aan het besluit van 29 juni 2021. Het uiteindelijke advies van de commissie is dus niet een optelsom of een gemiddelde van individuele scores. De motiveringsplicht van het college strekt daarom in dit geval niet zo ver dat ook inzicht had moeten worden gegeven in de individuele scoreformulieren.
Het college heeft ook terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de mate van afwijking tussen de rangorde waartoe de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 komt en de eerdere rangorde van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur van belang heeft geacht. Het college heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat de adviezen van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur vanwege gebleken vooringenomenheid niet aan de besluiten op de aanvragen ten grondslag konden worden gelegd en heeft daarom een opnieuw samengestelde adviescommissie over de aanvragen laten adviseren. Het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft dus geen betekenis voor de beantwoording van de vraag of de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 de beoordelingssystematiek juist heeft toegepast.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college, door het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 aan het besluit van 29 juni 2021 ten grondslag te leggen, dit besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het college niet heeft voldaan aan de vergewisplicht.”
3.6.
Met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden over het inzicht in de totstandkoming van puntentelling en rangschikking, de toegepaste beoordelingssystematiek door de Adviescommissie, de vergewisplicht van het college en de inzichtelijkheid van zijn besluitvorming, niet kunnen slagen. In lijn met de in rechtsoverweging 3.5. geciteerde overwegingen van de Afdeling oordeelt de rechtbank dat bij het bestreden besluit II onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie in voldoende mate inzicht is gegeven in de totstandkoming van de puntentelling en dat de motiveringsplicht voor het college niet zo ver strekt dat ook inzicht had moeten worden gegeven in de individuele scoreformulieren. Met de in het bestreden besluit II gegeven toelichting op de werkwijze van de Adviescommissie heeft het college een nadere onderbouwing gegeven van zijn eerder ingenomen standpunt dat het advies collegiaal en op basis van consensus tot stand is gekomen. Het college heeft met het bestreden besluit II ook alsnog verslagen van de vergaderingen van de Adviescommissie overgelegd, waarin de gezamenlijke en unanieme vaststellingen en op- en aanmerkingen zijn vermeld, maar geen weergave is opgenomen van wat tussen de commissieleden is uitgewisseld.
3.7.
De omstandigheid dat de Adviescommissie BrabantStad Cultuur en de Adviescommissie in de afzonderlijke beoordelingsronden andere werkwijzen hanteerden, leidt niet tot willekeur, zoals eiseres heeft betoogd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat, zoals ook het college heeft gesteld, de beoordeling door de Adviescommissie BrabantStad Cultuur juist vanwege de onzorgvuldige wijze van totstandkoming buiten beschouwing is gelaten en dus niet ten grondslag heeft gelegen aan bestreden besluit II.
Algehele heroverweging en reformatio in peius
3.8.
Eiseres betoogt dat zij door de nieuwe heroverweging in bezwaar is benadeeld en dat het bestreden besluit daarom is genomen in strijd met het verbod van reformatio in peius. Zij vindt dat als de door haar gestelde onrechtmatigheden, waaronder de gebleken belangenverstrengeling binnen de Adviescommissie BrabantStad Cultuur, eerder waren vastgesteld, zij in de eerste adviesronde boven de zaaglijn was uitgekomen en dat subsidie aan haar zou zijn verleend, die zij ook na de tweede ronde zou hebben behouden.
3.9.
Gelet op artikel 7:11 van Pro de Awb was het college gehouden om het primaire besluit, waarbij de aanvraag is afgewezen, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres te heroverwegen. Het resultaat van die heroverweging is dat het college weliswaar de motivering van het besluit heeft gewijzigd, maar de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten. De heroverweging in bezwaar heeft daarom niet geleid tot een nadeliger uitkomst voor eiseres. Bovendien is het verbod van reformatio in peius niet van toepassing als aanspraken van andere subsidieaanvragers zouden leiden tot een wijziging ten nadele van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Toepassing hardheidsclausule
3.10.
In artikel 24 van Pro de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is de volgende hardheidsclausule vermeld:
"
Door Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing worden gelaten of kan daarvan worden afgeweken, voor zover toepassing gelet op het belang van het doel van de regeling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard."
3.11.
Volgens eiseres had het college aanleiding moeten zien om deze hardheidsclausule toe te passen. Daarbij heeft zij gesteld dat het mislopen van de subsidie een gat slaat in haar begroting voor de komende vier jaren, dat daardoor fors moet worden gesneden in de kosten en dat het voortbestaan van eiseres en haar activiteiten op het spel staat. De strikte handhaving van de zaaglijn door het college staat niet in verhouding tot de belangen van eiseres. Daarbij stelt eiseres dat na de eerste adviesronde nog een gedeelte van de subsidie over was, terwijl eiseres op de zaaglijn zat.
3.12.
De rechtbank oordeelt dat het college een zekere vrijheid heeft om te beoordelen of de aangevoerde omstandigheden reden zijn om de hardheidsclausule toe te passen en dat het college in de door eiseres gestelde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien voor die toepassing wegens onbillijkheden van overwegende aard. De beroepsgrond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
3.13.
Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet de proceskosten heeft vergoed, die zij in de bezwaarprocedure heeft gemaakt en waar zij om had gevraagd. Tijdens de zitting heeft het college zich alsnog op het standpunt gesteld dat het primaire besluit na de heroverweging is herroepen en dat eiseres voor een vergoeding van de door haar gevraagde bezwaarkosten in aanmerking komt. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit II is gegrond omdat het college de proceskosten in bezwaar niet heeft vergoed. Omdat de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden niet slagen ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten.
4.2.
Omdat het college hangende het beroep een gewijzigd besluit heeft genomen en ten onrechte niet de proceskosten in bezwaar heeft vergoed, ziet de rechtbank aanleiding om het college op grond van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de door eiseres in bezwaar en in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.385,– (1 punt voor het bezwaarschift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, waarde per punt € 525,– wegingsfactor 1, samen € 1.050,–; 1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de reactie na bestreden besluit II, waarde per punt € 934,– wegingsfactor 1, samen € 2.335,–).
4.3.
Het college moet aan eiseres ook het griffierecht terugbetalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit II;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand blijven;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres van € 3.385,–.
  • bepaalt dat het college aan eiseres het griffierecht van € 360,– moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
en mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. M. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 9 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2407.