vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.273235.24
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] ,
thans preventief gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2024, 28 februari 2025, 12 mei 2025, 28 juli 2025, 21 oktober 2025, 5 januari 2026, 27 en 28 januari 2026 en 23 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 november 2024.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 mei 2025 is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 10 juli 2023 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, doormet een vuurwapen eenmaal of meermalen te schieten op/in de richtingvan die [slachtoffer 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 10 juli 2023 te Eindhoven, in elk geval inNederland, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, doormet een vuurwapen eenmaal of meermalen te schieten op/in de richtingvan die [slachtoffer 1] bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 juli 2023 en/of 10 juli 2023 te Eindhoven en/of Geldrop, in elk geval inNederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door- op 9 juli 2023 en/of 10 juli 2023 telefonisch en/of via Signal contact teonderhouden met [slachtoffer 1] over de ontmoeting en/of de levering vandrugsen/of- het leveren en/of meenemen van een of meer (vuur)wapens en/of- mee te helpen met het verpakken van het nepgeld en/of- op 10 juli 2023 met medeverdachte [medeverdachte] naar de ontmoeting met[slachtoffer 1] in Eindhoven te rijden;
2hij op of omstreeks 23 juni 2023 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, inelk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een personenauto (Audi RS6, kenteken: [kenteken 1] ), in elk geval eniggoed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander [persoon 1] aanverdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde,heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaatsvan het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goedonder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,verbreking, inklimming en/of een valse sleutel,door gebruik te maken van een kastje om voornoemde auto te openenen/of te starten;
3hij op of omstreeks 25 augustus 2024 te Hoogerheide, in elk geval inNederland, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, teweten een machinegeweer, zijnde een vuurwapen geschikt omautomatisch te vuren, van het merk Zastava, model M70 AB2, kaliber7.62x39 mm, met patroonmagazijn, voorhanden heeft gehaden/ofmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een ofmeerdere (centraalvuur) kogelpatronen, van het kaliber 7.62x39mm,voorhanden heeft gehad;
De formele voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.
De bevoegdheid van de rechtbank.
De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Ten aanzien van feit 3
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3.
In het zaaksdossier Sevenoaks is volgens de raadsman expliciet en ondubbelzinnig opgenomen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen niet ten laste zal worden gelegd. Verdachte heeft hierop gerechtvaardigd mogen vertrouwen. De mededeling is opgenomen in een officieel processtuk en laat geen ruimte voor enig voorbehoud of latere heroverweging. Verdachte mocht deze mededeling [persoon 1] ook opvatten als een definitieve vervolgingsbeslissing ten aanzien van dit feit. Door dit feit desondanks ten laste te leggen, heeft het Openbaar Ministerie gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, als onderdeel van de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals bedoeld in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De mededeling in het zaaksdossier kan namelijk niet aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend. Het Openbaar Ministerie wilde verdachte voor dit feit vervolgen en dat is ook gebeurd. De officier van justitie merkt op dat dit feit, na een wijziging van de tenlastelegging, als feit 3 op de tenlastelegging is opgenomen en dat de raadsman daartegen geen verweer heeft gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Juridisch kader.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, lid 1, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan het gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, echter in de regel niet worden ontleend.
Overwegingen van de rechtbank.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. In het zaaksdossier Sevenoaks, afgesloten op 10 februari 2025, is op pagina 106 de volgende opmerking van de verbalisant vermeld:
‘Het voorhanden hebben van het automatisch vuurwapen wordt niet ten laste gelegd en der halve niet gevoegd bij dit proces-verbaal. Voor bijzonderheden met betrekking tot de doorzoeking wordt verwezen naar het algemeen dossier OBRAB23003-2564, deel uitmakend van het eind proces-verbaal’.
Het gaat dus om een uitlating die niet is gedaan door het Openbaar Ministerie. De vraag is vervolgens of deze uitlating aan het Openbaar Ministerie is toe te rekenen.
Op 30 augustus 2024 heeft de officier van justitie een wijziging van de feiten voorlopige hechtenis in het kader van artikel 67b Sv gevorderd. Verdachte dient volgens de officier van justitie tevens vervolgd te worden voor het op 25 augustus 2024 voorhanden hebben van een – kort gezegd – automatisch vuurwapen, namelijk een machinegeweer van het merk Zastava, model M70 AB2, met patroonmagazijn. Op 4 september 2024 heeft de raadkamer van de rechtbank de vordering van de officier van justitie toegewezen.
De rechtbank stelt vast dat het voorhanden hebben van dit vuurwapen met patroonmagazijn niet op de voorlopige tenlastelegging van 6 november 2024 is vermeld. Op de zitting van 6 december 2024 heeft de officier van justitie echter meegedeeld dat het voorhanden hebben van dit vuurwapen weliswaar niet op de voorlopige tenlastelegging staat, maar dat dit feit wel op de definitieve tenlastelegging zal komen.
Op de zitting van 12 mei 2025 heeft de officier van justitie aanpassing van de feiten in de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv gevorderd. Deze vordering houdt onder meer in dat verdachte onder feit 3 wordt verweten dat hij op 25 augustus 2024 een automatisch vuurwapen, namelijk een machinegeweer van het merk Zastava, model M70 AB2, met patroonmagazijn voorhanden heeft gehad.
De raadsman heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de tenlastelegging.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Daarmee is dit feit op de definitieve tenlastelegging gekomen.
Gelet op het voorgaande staat vast dat de vervolging van verdachte ten aanzien van het voorhanden hebben van dit vuurwapen met patroonmagazijn op 30 augustus 2024 is aangevangen en dat de officier van justitie op 6 december 2024 heeft meegedeeld dat dit feit op de definitieve tenlastelegging zal worden opgenomen en daarmee dat vervolging wordt voortgezet. Gelet hierop kan de mededeling van de verbalisant van na die datum, opgenomen in het einddossier dat op 10 februari 2025 is afgesloten, niet aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend.
Conclusie.De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3 op de tenlastelegging.
Ten aanzien van feiten 1 en 2.
De officier van justitie kan eveneens in zijn vervolging worden ontvangen ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten.