Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het niet meewerken aan een bevel tot ademonderzoek, zoals bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. De verdediging voerde aan dat een hoofdagent mondeling had toegezegd dat verdachte niet zou worden vervolgd, waardoor sprake zou zijn van gerechtvaardigd vertrouwen en het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Het hof verwierp dit verweer, maar gaf geen blijk van het vereiste onderzoek of die toezegging daadwerkelijk had plaatsgevonden en of verdachte daarop mocht vertrouwen. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat slechts in uitzonderlijke gevallen de rechter kan toetsen of vervolging onverenigbaar is met een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt door het OM of aan het OM toe te rekenen gedragingen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verweer van gerechtvaardigd vertrouwen werd verworpen zonder het vereiste onderzoek. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en beslissing.
De zaak betreft de toepassing van het opportuniteitsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissingen. Het arrest benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij het niet-ontvankelijk verklaren van het OM op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van verdachte.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de ontvankelijkheid van het OM.