ECLI:NL:RBOBR:2026:1359

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/833
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:2 AwbArt. 5:4 AwbArt. 5:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging last onder bestuursdwang semi-verharding op perceel met bestemming Groen

De zaak betreft een last onder bestuursdwang opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best aan eiser vanwege opslag van goederen en het aanbrengen van semi-verharding op een perceel met de bestemming “Groen”. Eiser betwistte het besluit, met name het deel over de semi-verharding.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de last onder bestuursdwang voor opslag in stand hield, omdat de overtreding ten tijde van het bestreden besluit voortduurde. Voor de semi-verharding stelt de rechtbank vast dat deze in strijd is met het bestemmingsplan en dat een omgevingsvergunning vereist is.

Echter, de rechtbank vindt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de betwisting van eiser dat hij persoonlijk de semi-verharding heeft aangebracht. De rechtbank vernietigt daarom het besluit voor zover het de semi-verharding betreft en draagt het college op een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek. Het college moet het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de semi-verharding, het besluit wordt vernietigd voor dat onderdeel en het college moet een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/833 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best

(gemachtigden: S. van Zanten en W. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder bestuursdwang wegens de opslag van goederen en het aanbrengen van een semi-verharding op het kadastrale perceel Best ( [nummer] ) [nummer] , gelegen achter de [adres] te [woonplaats] .
1.1.
Eiser is het er niet mee eens dat het college de last onder bestuursdwang zowel ten aanzien van de opslag als ten aanzien van de semi-verharding in bezwaar in stand heeft gelaten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit op bezwaar van het college voor wat betreft de last onder bestuursdwang ten aanzien van de semi-verharding niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft het college aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 27 februari 2025, op het bezwaar van eiser, is het college bij voormeld besluit gebleven. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Feiten en omstandigheden

3. De gemeente Best is eigenaar van het kadastrale perceel Best ( [nummer] ) [nummer] (het perceel). Het perceel is gelegen achter de [adres] te [woonplaats] waarop het bedrijfspand van [naam] is gevestigd, waarvan eiser statutair directeur is.
3.1.
Naar aanleiding van een bij het college binnengekomen melding dat de houtsingel op het perceel is verdwenen, is op 23 januari 2024 door een toezichthouder [1] een controle uitgevoerd op het perceel. Daarbij is eiser in persoon gehoord. De bevindingen zijn de volgende dag opgetekend in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal.
3.2.
Bij brief van 14 juni 2024 heeft het college aan ‘ [naam] ’ een voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang toegezonden.
3.3.
Met het besluit van 23 augustus 2024 heeft het college aan eiser als natuurlijk persoon een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege het in strijd met het geldende omgevingsplan gebruiken van het perceel als opslag en het aanbrengen van een semi-verharding op het perceel. Eiser is gelast om vóór 1 oktober 2024 de opslag van goederen op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Daarnaast heeft het college aangekondigd dat het na 1 oktober 2024 over zal gaan tot het zelf op kosten van eiser toepassen van bestuursdwang voor wat betreft de semi-verharding, en daarvan een (voorlopige) kostenraming gegeven.
3.4.
Bij besluit van 26 september 2024 heeft het college de (begunstigings)termijn die liep tot 1 oktober 2024, verlengd tot zes weken na het besluit op bezwaar.
3.5.
Op 14 oktober 2024 heeft een toezichthouder bij een controle op het perceel geconstateerd dat nog niet alle opgeslagen materialen waren weggehaald; er lagen nog enkele buizen, staanders en hekdelen op de grond, tegen de muur van het bedrijfspand en tegen het hekwerk aan de spoorzijde. Ook was de grit (gebroken puin) niet verwijderd.
3.6.
Na de hoorzitting van 25 november 2024 heeft de bezwaaradviescommissie (commissie) het college op 24 januari 2025 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, de last onder bestuursdwang voor wat betreft het aanbrengen van de semi-verharding te herroepen en voor wat betreft de opslag in stand te laten.
3.7.
Op 5 februari 2025 heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) nogmaals een controle verricht op het perceel. De resultaten daarvan zijn per e-mail teruggekoppeld aan de gemachtigde van het college.
3.8.
Met het besluit op bezwaar van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie, eisers bezwaar ongegrond verklaard en de last onder bestuursdwang zowel ten aanzien van de opslag als ten aanzien van de semi-verharding in stand gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Ow in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het omgevingsplan van de gemeente Best uit een tijdelijk deel. Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat.
4.1.
Op de locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Best 't Zand, Breeven en Heide' (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Best. Op grond van dit bestemmingsplan rust op de locatie de bestemming “Groen”.
4.2.
Artikel 12.1 van het bestemmingsplan luidt als volgt:

artikel 12 Groen Pro
12.1
Bestemmingsomschrijving
De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen;
water;
met de daarbij behorende voorzieningen zoals:
voet- en fietspaden;
speelvoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen.”
4.3.
De (overige) wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De rechtbank zal eerst ingaan op de last onder bestuursdwang voor zover deze ziet op de opslag van goederen. Daarna zal de rechtbank ingaan op de last voor zover deze ziet op het aanbrengen van de semi-verharding.
Last onder bestuursdwang voor zover het de opslag betreft
5.1.
Eiser erkent dat hij palen en hekdelen van hem op het perceel had laten staan. Onderdelen van een hek alsook een regenpijp, kunnen zijns inziens echter niet echt als opslag worden gezien. De boa die voorafgaand aan het bestreden besluit op 5 februari 2025 de controle heeft verricht was ook van mening dat niet meer van opslag kon worden gesproken. In de beroepsfase had eiser wel alle hekdelen die van hem waren en twee pijpen die de boa op 5 februari 2025 nog zag liggen, weggehaald.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het feit of eiser in de beroepsfase al dan niet alle opslag heeft verwijderd niet relevant is voor het onderhavige geschil, aangezien in deze procedure de situatie ten tijde van het bestreden besluit beoordeelt dient te worden.
5.3.
De rechtbank gaat er met het college vanuit dat er ten tijde van het bestreden besluit nog altijd sprake was van opslag, waaronder hekdelen van eiser(s bedrijf). Eiser moest de opslag van de hekdelen die van hemzelf dan wel van zijn bedrijf waren voorafgaand aan het bestreden besluit beëindigen. Nu hij niet bestrijdt dat hij dat toen nog niet had gedaan, is het college terecht tot de conclusie gekomen dat de overtreding ten tijde van het bestreden besluit nog altijd voortduurde. Dat de boa een andere mening was toegedaan maakt het voorgaande niet anders, aangezien het aan het college is om de juridische beoordeling van de feiten te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Overtreding t.a.v. semi-verharding?
6. Eiser stelt dat er ten aanzien van de semi-verharding geen sprake is van een overtreding en het college dus niet bevoegd was om handhavend op te treden. Hij schaart zich achter de stelling van de commissie dat er geen omgevingsvergunning is vereist voor het aanbrengen van semi-verharding op de bestemming “Groen”. Hij wijst er op dat feitelijke handelingen activiteiten en werkzaamheden zijn met een uitvoerend karakter. Eiser stelt dat het aanbrengen van semi-verharding een feitelijke handeling is waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Daarbij merkt hij, onder verwijzing naar een bijgevoegde foto [2] , op dat het om een zeer beperkte grindlaag gaat.
6.1.
Het college stelt zich – anders dan de commissie – in het bestreden besluit op het standpunt dat het aanbrengen van semi-verharding een overtreding van artikel 12 van Pro het bestemmingsplan en van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow inhoudt, zodat hij bevoegd is om tot handhaving over te gaan. Uit voormeld artikel 12 volgt Pro namelijk dat de voor “Groen” aangewezen gronden bestemd zijn voor groenvoorzieningen met daarbij behorende voorzieningen zoals speelvoorzieningen en wandel- en fietspaden. Gezien de verhouding tussen verharde gronden en groen kan niet gezegd worden dat de aanwezige verharding op het perceel een functie heeft die past binnen de bestemming “Groen”. Ook wordt de verharding niet ten behoeve van die bestemming gebruikt, omdat deze mede gebruikt wordt ten behoeve van opslag. Tot slot kan de oppervlakteverharding als strijdig worden gezien met de bestemming, omdat het de functie van groen beschadigt en belemmert, aldus het college.
6.2.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op grond van de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet is een omgevingsplanactiviteit onder meer een andere activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de semi-verharding van het perceel in dit geval grond vermengd met gebroken puin en grind is. De semi-verharding ligt op grond met de bestemming “Groen”. De semi-verharding kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als groenvoorziening en evenmin als een bij de bestemming “Groen” horende voorziening. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de aanleg van de semi-verharding in strijd is met de bestemming “Groen” en daarmee met het bestemmingsplan. Eisers stelling dat het aanbrengen van de semi-verharding een feitelijke handeling is waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, volgt de rechtbank niet. De aanleg van de semi-verharding is in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is daarvoor een omgevingsvergunning nodig. De beroepsgrond slaagt niet.
Overtreder t.a.v. semi-verharding?
7. Eiser stelt in zijn hoedanigheid als natuurlijk persoon geen overtreder te zijn in de zijn van artikel 5:1 van Pro de Awb. Hij wijst er op dat het voornemen is gericht aan de holding [naam] , maar dat de last gericht is aan hemzelf op zijn privéadres terwijl hij persoonlijk de semi-verharding niet heeft aangelegd. Eiser betwist de in het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2024 opgenomen zinsnede dat hij zou hebben verklaard ‘dat hij (…) semi verhard had’ Ter staving van zijn stelling wijst eiser, kort gezegd, op drie al in bezwaar overgelegde getuigenverklaringen [3] , de mondelinge verklaring van de medewerker [naam] die het grondmonster heeft genomen en het korte tijdsverloop tussen de datum dat hij eigenaar werd van de bedrijfsloods op zijn perceel en de gestelde overtreding.
7.1.
Het college neemt in het bestreden besluit, kort gezegd, het standpunt in dat nu eiser op 23 januari 2024 tegenover voormalig toezichthouder [naam] [4] heeft verklaard dat hijzelf semi verhard heeft, door het college de conclusie kon worden getrokken dat eiser persoonlijk overtreder is.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het college zijn standpunt dat eiser persoonlijk als overtreder kan worden aangemerkt baseert op het proces verbaal van bevindingen van 24 januari 2024. In dit proces-verbaal is, voor zover belang, het volgende neergelegd:
“Op dinsdag 23 januari omstreeks 09.40 uur bevond ik mij samen met senior medewerker van beheer (…) [naam] op De [adres] . (…) Ter plaatse zag verbalisant dat de houtsingel achter het bedrijfspand in zijn geheel was verdwenen. Ook zag ik dat de ondergrond was afgegraven en dat deze was verhard door middel van grind/ gebroken puin. (…) Tijdens de controle kwam de eigenaar naar ons toegelopen waarop wij hem mededeelden wat ons doel was van de controle en wat wij hadden geconstateerd. Hij vertelde dat hij de houtsingel had verwijderd en semi verhard had omdat hij in zijn bedrijfsloods last had van wateroverlast. Dit zou komen door de houtsingel. (…) Verbalisant op ambtseed op 24-01-2024 te Best (…) [naam] .”
7.3.
De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid voor het bewijs, in beginsel uit mag gaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt rapport, voor zover dit eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeeft. Echter, indien die bevindingen – zoals in dit geval – worden betwist, zal door het bestuursorgaan moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval niet aan laatstgenoemde eis voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.4.
In dit geval heeft eiser de bevindingen in het proces-verbaal gemotiveerd betwist. Eiser heeft getuigenverklaringen van accountant [naam] [6] van zijn schoonzoon [naam] en van zijn zoon [naam] overgelegd. Deze verklaren alle drie, kort samengevat, dat zij bij het gesprek met de boa’s op 23 januari 2024 aanwezig waren, dat eiser het bedrijfspand pas in december 2023 heeft aangekocht en dat eiser in het gesprek met de boa’s niet heeft bevestigd dat hij iets heeft gedaan wat niet is toegestaan. Daarnaast verklaart Warmerdam expliciet dat eiser tijdens dat gesprek niet heeft bevestigd dat hij iets heeft verhard. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat een medewerker van de firma [naam] , die destijds in opdracht van de gemeente bodemonderzoek op het perceel heeft verricht, nauwelijks de bodem in kwam om een grondmonster te nemen en vervolgens mondeling heeft verklaard dat de grond zo ontzettend hard was dat het onmogelijk is dat deze grond pas is neergelegd. Ook heeft eiser aangevoerd dat het gezien het tijdsverloop niet logisch is dat eiser zelf de overtreder is. Eiser heeft het bedrijfspand pas in december 2023 aangekocht en de overtreding is al in januari 2024 geconstateerd.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank bestond er, gelet op de aard en inhoud van de door eiser in bezwaar overgelegde getuigenverklaring van de accountant, die wordt ondersteund door de andere getuigenverklaringen, in samenhang met de gestelde mededeling van firma [naam] en het tijdsverloop, reden voor onderzoek door het college naar de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder ten aanzien van de semi-verharding. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college om voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit allereerst navraag te doen bij de medewerker [naam] , aangezien voor de vraag of eiser de semi-verharding heeft aangelegd, ook van belang is hoe lang de semi-verharding er al ligt. Immers, eiser is pas sinds december 2023 eigenaar van het bedrijfspand. Vervolgens diende het college naar het oordeel van de rechtbank de uitkomst van de navraag bij [naam] en de drie door eiser overgelegde getuigenverklaringen voor te leggen aan zowel voormalig toezichthouder [naam] als aan voormalig senior medewerker [naam] . Het feit dat deze personen inmiddels met pensioen zijn betekende niet dat het college niet in staat of niet gehouden was alvorens het bestreden besluit te nemen navraag bij hen te doen en ontsloeg het college dus niet van zijn onderzoeksverplichting op dit punt. Zonder nader onderzoek konden de bevindingen van de toezichthouder in het bestreden besluit niet zonder meer aan de vaststelling van de overtreding voor wat betreft de semi-verharding ten grondslag worden gelegd.
7.6.
Nu het college heeft nagelaten voormeld onderzoek te verrichten is het bestreden besluit ten aanzien van de semi-verharding onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit kan voor wat betreft de semi-verharding niet in stand blijven en zal voor dat gedeelte worden vernietigd. Het college dient alsnog het hiervoor in rechtsoverweging 6.5 omschreven nagelaten onderzoek te verrichten.
7.7.
Gelet op het feit dat het beroep alleen hierom al gegrond is komt de rechtbank niet meer toe aan bespreking van de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd voor zover het de semi-verharding betreft. Dit betekent dat het bestreden besluit op dat punt geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor wat betreft de semi-verharding. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten en ziet geen mogelijkheid zelf een beslissing over de semi-verharding te nemen gelet op het nog door het college te verrichten onderzoek op dit punt. Ook draagt de rechtbank het college niet in een tussenuitspraak op om het gebrek te herstellen (een zogenoemde bestuurlijke lus) aangezien op dit moment niet te voorzien is hoe lang het door het college nog te verrichten nader onderzoek zal duren.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen ten aanzien van de semi-verharding met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft hierbij als aanwijzing dat zij het niet noodzakelijk acht voor het college om, naast voormeld onderzoek, nogmaals de bezwaaradviescommissie om advies te vragen.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. [7] De gemachtigde heeft beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
8.3 Eiser heeft in de bezwaarprocedure gevraagd om vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het college moet na deze uitspraak een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser tegen de last onder bestuursdwang over de semi-verharding. Het is nog niet duidelijk of dat ertoe leidt dat die last onder bestuursdwang wordt herroepen. De rechtbank kan daarom nog geen uitspraak doen over de proceskosten in bezwaar. Als die last zou worden herroepen, dient het college eiser een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten in bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2025 voor zover daarbij het bezwaar van eiser tegen de last onder bestuursdwang met betrekking tot de semi-verharding ongegrond is verklaard;
 laat het bestreden besluit van 27 februari 2025 voor het overige in stand;
 draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen de last onder bestuursdwang met betrekking tot de semi-verharding;
 bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
 veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
De rechter is niet in de gelegenheid
om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2 van Pro de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 5:1 van Pro de Awb

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
3. Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:2 van Pro de Awb

1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak;
b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

Artikel 5:4 van Pro de Awb

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Artikel 5:8 van Pro de Awb

Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd.

Artikel 5:9 van Pro de Awb

De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt:
a. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;
b. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

Artikel 5:21 van Pro de Awb

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24 van Pro de Awb

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
3. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25 van Pro de Awb

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

Artikel 7:12 van Pro de Awb

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Artikel 8:69 van Pro de Awb

1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1 van de Ow
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit, (…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Best 't Zand, Breeven en Heide'
Artikel 1 Begrippen Pro
(…)
1.28
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
(…)
1.38
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
(…)
1.68
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.

artikel 12 Groen Pro

12.1
Bestemmingsomschrijving
De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen;
water;
met de daarbij behorende voorzieningen zoals:
voet- en fietspaden;
speelvoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen.
12.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.

Voetnoten

1.tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)
2.Productie 6 bij het beroepschrift
3.Productie 4 bij het bezwaarschrift.
4.tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:329 en van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3731.
6.Van “Van Zon & Warmerdam, accountancy, administratie en advies.
7.https://wetten.overheid.nl/BWBR0006358/2026-01-01